FAO: "Veehouderij levert wereldwijd een derde van de eiwitten, maar systemen verschillen sterk"
nieuwsDe veehouderij levert wereldwijd ongeveer een derde van de eiwitten die mensen binnenkrijgen. Maar de manier waarop die dierlijke voedingsmiddelen worden geproduceerd, verschilt sterk van regio tot regio. Van gemengde bedrijven waar akkerbouw en veehouderij elkaar aanvullen tot grootschalige pluimvee- en varkensbedrijven en extensieve graassystemen op graslanden: elk systeem heeft zijn eigen economische, sociale en ecologische kenmerken. Eén productiesysteem dat overal de oplossing biedt, bestaat volgens FAO niet.
Dat blijkt uit een nieuw rapport dat de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) heeft opgesteld op vraag van de FAO-lidstaten. Zij vroegen om een uitgebreide, wetenschappelijk onderbouwde wereldwijde evaluatie van de bijdrage van de veehouderij aan voedselzekerheid, duurzame agrovoedselsystemen, voeding en gezonde voedingspatronen, evenals een analyse van belangrijke kennishiaten.
Een belangrijke vaststelling is dat veehouderij veel meer is dan de productie van vlees, melk en eieren. Dieren kunnen ook een rol spelen in de economie, het beheer van land en grondstoffen, de bio-economie en de veerkracht van landbouwsystemen. Tegelijk brengt veehouderij ook uitdagingen met zich mee, zoals broeikasgasemissies, land- en watergebruik, dierenziekten, dierenwelzijn en de concurrentie tussen voedsel en veevoeder.
Een derde van de wereldwijde eiwitvoorziening
Dierlijke voedingsmiddelen zijn wereldwijd goed voor gemiddeld 33 procent van de eiwitvoorziening. Dat aandeel verschilt echter sterk tussen regio's. In Noord- en Zuid-Amerika, het grootste deel van Europa en Australië en Nieuw-Zeeland ligt het boven 50 procent. In Afrika is het aandeel in sommige regio's dan weer lager dan 18 procent.
Het grootste deel van de dierlijke eiwitproductie komt uit gemengde akkerbouw-veehouderijsystemen en uit pluimveehouderij. Elk van beide systemen is goed voor ongeveer 30 procent van de wereldwijde eiwitvoorziening uit de veehouderij. Varkenshouderijsystemen vertegenwoordigen 19 procent, graassystemen voor herkauwers 12 procent en intensieve rundveehouderijsystemen (feedlots genoemd in de studie, red.) ongeveer drie procent.
Ook tussen diersoorten zijn er grote verschillen. Herbivoren zoals runderen en schapen staan in voor ongeveer 26 procent van de wereldwijde vleesproductie. Monogastrische (met één maag, red.) dieren, zoals varkens en pluimvee, nemen de overige 74 procent voor hun rekening. Runderen zijn dan weer verantwoordelijk voor 81 procent van de wereldwijde melkproductie.
Dieren benutten ook wat mensen niet kunnen eten
Een belangrijk voordeel van veehouderij is volgens de FAO dat dieren kunnen worden gehouden in gebieden die minder geschikt zijn voor akkerbouw. Vooral graslanden en marginale gronden kunnen op die manier bijdragen aan de productie van dierlijke voedingsmiddelen.
Daarnaast kunnen dieren grondstoffen benutten die niet geschikt zijn voor menselijke consumptie. Dat geldt bijvoorbeeld voor bepaalde agro-industriële bijproducten en andere minder conventionele voederbronnen. De toenemende concurrentie tussen de productie van voedsel en veevoeder om grond maakt het efficiënter benutten van dergelijke grondstoffen volgens de FAO steeds belangrijker.
Veehouderij kan ook bijdragen aan de bio-economie. Dierlijke mest kan worden gebruikt als organische meststof, terwijl bijproducten van de sector kunnen worden ingezet voor onder meer bio-energie en biomaterialen.
Meer pluimvee en varkens
De wereldwijde vraag naar dierlijke voedingsmiddelen verandert tegelijk de veehouderij zelf. De FAO ziet een toenemende intensivering van gemengde akkerbouw-veehouderijsystemen en een verschuiving naar monogastrische productiesystemen, zoals varkens- en pluimveehouderij.
Daar spelen verschillende factoren mee. Monogastrische dieren kunnen relatief efficiënt worden geproduceerd en gebruiken minder land. Ook de toenemende vraag naar dierlijke voedingsmiddelen en de afnemende beschikbaarheid van arbeidskrachten op het platteland stimuleren die ontwikkeling.
Een vergelijking van systemen op slechts één criterium, zoals uitstoot per hectare of per kilogram product, geeft daarom maar een deel van het verhaal
Die evolutie betekent niet dat alle veehouderijsystemen dezelfde functie hebben. Graslandgebaseerde systemen dragen bijvoorbeeld sterk bij aan ecologische en sociale duurzaamheid en aan de veerkracht van landbouwsystemen. Het nadeel is dan weer dat hun economische bijdrage volgens de FAO gemiddeld kleiner is dan die van systemen die sterker afhankelijk zijn van externe inputs.
Gemengde akkerbouw-veehouderijsystemen hebben dan het voordeel dat verschillende onderdelen van het landbouwbedrijf met elkaar kunnen worden verbonden. Dierlijke mest kan bijvoorbeeld opnieuw worden ingezet in de plantaardige productie. Zulke systemen dragen volgens de FAO bij aan zowel economische, sociale als ecologische duurzaamheid.
Handel speelt een kleinere rol dan vaak gedacht
Hoewel veehouderij een belangrijke internationale handelssector is, wordt het grootste deel van de productie op nationale of lokale markten afgezet. Slechts 15 procent van het vlees, 12 procent van de melk en zuivelproducten en ongeveer drie procent van de eieren wordt internationaal verhandeld. Dat betekent dat de bijdrage van veehouderij aan voedselzekerheid in belangrijke mate lokaal en nationaal wordt bepaald. De sector is bovendien goed voor ongeveer 40 procent van het wereldwijde landbouw-bbp, goed voor naar schatting 1.800 miljard dollar.
0
van het vlees wordt internationaal verhandeld
0
van de melk wordt internationaal verhandeld
0
van de eieren wordt internationaal verhandeld
In lage- en middeninkomenslanden liggen er tegelijk nog belangrijke uitdagingen. Zo gaat een groter deel van dierlijke voedingsmiddelen verloren tijdens productie, verwerking, opslag en transport dan in landen met hoge inkomens. In Sub-Saharaans Afrika speelt vooral diersterfte door ziekten een belangrijke rol.
Ook een belangrijke bron van uitstoot
De wereldwijde rol van veehouderij heeft echter ook een ecologische keerzijde. Volgens de FAO zijn veehouderijsystemen verantwoordelijk voor ongeveer 12 procent van de menselijke broeikasgasuitstoot. Runderen hebben daarin het grootste aandeel, waarbij methaan uit de vertering een belangrijke bron vormt.
Ook hier bestaan grote verschillen tussen productiesystemen. Systemen met weinig externe inputs en een lage veebezetting hebben doorgaans een lagere uitstoot per oppervlakte-eenheid. Systemen die sterker afhankelijk zijn van externe inputs kunnen dan weer een lagere uitstoot hebben per kilogram geproduceerd product of per kilogram ruw eiwit.
De uitdaging bestaat erin om die systemen zo te ontwikkelen dat ze, aangepast aan hun lokale context, kunnen bijdragen aan voedselzekerheid én aan sociale, economische en ecologische duurzaamheid
Daarmee illustreert het rapport een belangrijk punt: de impact van veehouderij hangt sterk af van de manier waarop ze wordt georganiseerd en van de omstandigheden waarin ze plaatsvindt. Een vergelijking van systemen op slechts één criterium, zoals uitstoot per hectare of per kilogram product, geeft daarom maar een deel van het verhaal.
Geen universeel model
De FAO verwacht dat de veehouderij de komende decennia verder zal veranderen. De toenemende vraag naar dierlijke voedingsmiddelen, de druk op landbouwgrond, klimaatverandering, veranderende arbeidsmarkten en de behoefte aan efficiënter gebruik van grondstoffen zullen daarbij een rol spelen.
Tegelijk verschillen de uitdagingen sterk per regio. In sommige gebieden ligt de nadruk op productiviteit en toegang tot markten, terwijl elders vooral de ecologische impact of het gebruik van schaarse grondstoffen centraal staat. Ook de bijdrage aan voedselzekerheid verschilt naargelang de lokale omstandigheden.
Het rapport pleit daarom niet voor één productiesysteem dat voor alle uitdagingen een oplossing biedt. De verschillende systemen hebben elk hun eigen voordelen, beperkingen en afwegingen. De uitdaging bestaat erin om die systemen zo te ontwikkelen dat ze, aangepast aan hun lokale context, kunnen bijdragen aan voedselzekerheid én aan sociale, economische en ecologische duurzaamheid.
Dat vraagt volgens de FAO onder meer investeringen in diergezondheid, voeding, genetische verbetering, onderzoek en infrastructuur. In de toekomst zal daarnaast meer aandacht nodig zijn voor de volledige veehouderijketen en de toegang tot markten.