Quinoa heeft potentieel als klimaatrobuuste teelt, maar afzet blijft uitdaging
nieuwsDe Limburgse landbouwer Luc Lavrijsen haalt met de uitbreiding van zijn quinoateelt het nieuws. Quinoa is in Vlaanderen vandaag een nicheteelt, maar wint voorzichtig terrein. Toch heeft het gewas agronomisch heel wat troeven, zeker in het veranderende klimaat. Quinoa kan met beperkte inputs geteeld worden, is droogte- en zouttolerant, en kan daardoor een klimaatrobuust alternatief vormen binnen de landbouw. “Maar een echte doorbraak zal vooral van de afzet afhangen”, vertelt Mathijs Hast, onderzoeker bij het Praktijkpunt Landbouw Vlaams-Brabant.
Quinoa wordt in Vlaanderen al ongeveer tien jaar onderzocht en geteeld. Volgens cijfers van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij bedraagt het areaal dit jaar zo’n 75 hectare. De teelt blijft voorlopig kleinschalig, maar daar lijkt nu stilaan verandering in te komen. “We zien de belangstelling quinoateelt toenemen”, vertelt Mathijs Hast, onderzoeker akkerbouw en innovatieve teelten bij het Praktijkpunt Landbouw Vlaams-Brabant. “Het areaal breidt langzaam uit, voornamelijk via de contractteelt.”
Klimaatrobuust en geschikt voor verschillende bodems
De telers zijn momenteel verspreid over heel Vlaanderen. Dat komt volgens Hast omdat quinoa geschikt is voor verschillende bodemtypes, zowel op lichtere als op zwaardere gronden. “Over het algemeen zal quinoa een hogere opbrengst halen op een zwaardere bodem. Op die rijke bodems kan hij goed groeien. Maar ook op zandgrond heeft hij een voordeel tegenover andere teelten: als het heel erg droog is, is quinoa bijzonder droogteresistent.” De onderzoeker merkt op dat dit voordeel voornamelijk geldt tijdens de zomermaanden, wanneer de plant voldoende gegroeid is.
Die droogteresistentie kan een belangrijke troef worden in het licht van de klimaatverandering. Quinoa heeft volgens Hast beduidend minder water nodig dan verschillende gangbare gewassen en kan bovendien relatief goed omgaan met verzilting. Dat laatste kan vooral bij langdurige droogte een voordeel zijn. Wanneer het waterpeil daalt, kunnen zowel irrigatiewater als bodems hogere zoutconcentraties krijgen. Verhoogde concentraties hebben geen effect.
Dat quinoa op het vlak van watergebruik een belangrijke troef heeft, blijkt ook uit cijfers van de Europese Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO). Met een watervoetafdruk van ongeveer 500 liter per kilogram ligt die aanzienlijk lager dan die van rijst (2.497 liter), maïs (1.222 liter) en andere granen (1.227 liter). Bovendien scoort quinoa door zijn relatief hoog eiwitgehalte bijzonder goed op waterefficiëntie voor de eiwitproductie. Daardoor kan het gewas ook vanuit het oogpunt van duurzaam watergebruik een interessant alternatief vormen.
Geen gewasbeschermingsmiddelen erkend
De teelt heeft tegelijk een belangrijke zwakke plek: onkruidbestrijding. “Het grootste risico voor een quinoateler is de onkruidbestrijding”, aldus Hast. Vooral melganzenvoet vormt een probleem. Die plant is nauw verwant aan quinoa en lijkt er sterk op.
Chemische onkruidbestrijding is daardoor moeilijk. Bovendien zijn er momenteel geen gewasbeschermingsmiddelen erkend voor quinoa, omdat er geen middelen selectief zijn voor quinoa ten opzichte van melganzenvoet. Vlaamse telers zijn daarom aangewezen op mechanische technieken zoals schoffelen en wiedeggen.
“Op percelen met een lage onkruiddruk lukt de teelt doorgaans goed. Bij een sterke aanwezigheid van onkruiden zoals melganzenvoet wordt het een stuk moeilijker”, klinkt het. “Tegelijk is het afwezige gebruik van gewasbeserming een belangrijk verkoopargument.”
Ook ziektegevoeligheid vraagt aandacht
Qua plagen valt quinoa voorlopig relatief goed mee. Er zijn jaren met verhoogde bladluisdruk, maar die leiden volgens Hast niet snel tot mislukte oogsten.
Bij ziekten is vooral valse meeldauw een aandachtspunt. De gevoeligheid verschilt tussen rassen en is sterk afhankelijk van de weersomstandigheden. In vochtige jaren kan de ziekte volgens Hast 20 tot 30 procent opbrengst kosten.
Onderzoek moet daarom niet alleen focussen op de droogtetolerantie van quinoa, maar ook op ziekteweerbaarheid en de mogelijkheden om de teelt technisch verder te verbeteren. Zo wordt onder meer gekeken naar zaadbehandelingen en biostimulanten die de jonge planten een voorsprong kunnen geven tegenover onkruiden.
Consument kent Belgische quinoa nog onvoldoende
Bij goede omstandigheden bedraagt de opbrengst tussen 1,5 en 3 ton ton droge zaden per hectare. Economisch kan quinoa volgens Hast interessant zijn voor Vlaamse landbouwers. Een belangrijke voorwaarde is echter wel dat de geproduceerde quinoa ook effectief verkocht raakt.
“De bottleneck qua rendabiliteit in de vrije teelt is om voldoende verkoop te hebben”, zegt hij. Consumenten die lokale quinoa kennen en bewust kopen, zijn volgens Hast bereid om een prijs te betalen waarmee Vlaamse quinoa kan concurreren met geïmporteerde producten.
Daar wringt voorlopig het schoentje. In de winkel liggen Belgische, Peruviaanse en Boliviaanse quinoa naast elkaar, maar veel consumenten weten volgens Hast onvoldoende dat er ook lokaal geproduceerd wordt. “Bovendien blijft quinoa een nicheproduct met een soort geitenwollensokken-imago en blijft het voor velen onbekend", aldus de onderzoeker.
Areaal kan richting 300 hectare groeien
Ondanks de uitdagingen zijn de verwachtingen voor de komende jaren positief. Volgens de huidige projecties zou het Vlaamse areaal volgend jaar boven de 100 hectare kunnen uitkomen. Tegen 2030 wordt gemikt op ongeveer 300 hectare.
Of die groei er ook effectief komt, zal volgens Hast vooral afhangen van de ontwikkeling van de markt en van de verdere technische ontwikkeling van de teelt.
Quinoa ziet hij daarbij als een interessante aanvulling op de Vlaamse teelten, maar niet als een wondermiddel. “Het zal niet dé oplossing zijn als teeltalternatief in een veranderend klimaat. Quinoa heeft een plaats, samen met andere nieuwe gewassen die elk hun eigen sterktes en toepassingen hebben. Diversiteit en afwisseling zullen de sleutels zijn om de extremen te bufferen", besluit hij.
Beeld: Carrefour