header.home link

Zijn dieren in de extensieve veehouderij gelukkigere dieren?

26 februari 2021

Of dieren gelukkiger zijn in een extensief veehouderijsysteem is een vraag die niet zo eenvoudig te beantwoorden is. Net zo min of dieren op grote schaal houden ethisch verantwoord is. Veel hangt af van je ethische standpunten. Waar wel consensus over is, is dat de mate waarin dieren natuurlijk gedrag kunnen stellen, ook een groter welzijn impliceert. Bovendien neemt de gevoeligheid bij de consument voor dierenwelzijn alleen maar toe. Willen we de vleesproductie overeind houden, dan met de sector daar een antwoord op bieden. Dat is de derde conclusie van het UGent-debat over intensieve veehouderij.

Lees meer over:

Een webinar waarbij een panel van experten vijf controversiële stellingen kreeg voorgelegd over de intensieve veehouderij: dat was het concept waar de faculteit Diergeneeskunde van de UGent mee uitpakte tijdens de debatavond ‘Intensieve veehouderij in Vlaanderen is er nog een toekomst?’. Nadat eerst de stellingen ‘Dieren produceren voor export is onzinnig' en ‘Dieren in de intensieve veehouderij zijn gezondere dieren’ werden besproken, ging het vervolgens over de stelling ‘Dieren in de extensieve veehouderij zijn gelukkigere dieren’.

Extensief = kleinschalig?

Als expert dierenwelzijn en ethiek mocht Stef Aerts, docent aan de Odisee Hogeschool, als eerste zijn licht laten schijnen over deze stelling. Hij had een aantal bedenkingen over de stelling. “Wat is gelukkig? Alleen daarover kunnen we al uren discussiëren. Bovendien wordt vaak de link gemaakt tussen extensief en kleinschalig, maar die is er niet noodzakelijk. Extensief kan ook grootschalig zijn, denk maar aan de zogenaamde ‘ranching’ systemen in Noord- en Zuid-Amerika. Daar werken ze met weinig inputs, veel dieren, maar op een vrij grote oppervlakte. In dergelijke systemen zijn dieren op zichzelf aangewezen. Ik weet niet of dit voor hun fysieke toestand en hun welzijn altijd zo geweldig is”, meent Aerts.

Volgens Jos Raemaekers, diensthoofd beleid bij Natuurpunt, kijkt de maatschappij vandaag anders naar dierenwelzijn dan vroeger. “De generatie van mijn ouders zag dieren als nutsdieren: als ze geen nut meer hadden werden ze geslacht of verkocht. Nu bekijken we dieren als een individu. Ze gaan dat dierenwelzijn afwegen ten opzichte van hun eigen referentiekader: ik vind dat niet prettig dus voor dat dier is dat waarschijnlijk ook niet prettig. Hoe verder mensen van natuur en dieren afstaan, hoe meer ze dat gaan doen. Je wil niet weten hoeveel telefoontjes wij krijgen van bezorgde burgers omdat onze dieren in natuurgebied buiten staan wanneer de eerste sneeuwvlokken vallen. Terwijl die dieren geen last hebben van de kou en zich perfect gelukkig voelen”, stelt hij.

Hoe verder de mensen van dieren afstaan, hoe meer ze dierenwelzijn gaan afwegen ten opzichte van hun eigen referentiekader: ik vind dat niet prettig dus dat dier wellicht ook niet

Jos Raemaekers - Diensthoofd beleid Natuurpunt

Voor Natuurpunt zijn natuurlijk gedrag kunnen vertonen en groepen vormen zoals ze in de natuur voorkomen, heel belangrijke parameters voor dierenwelzijn. “Dat botst al snel met de huidige veehouderijsystemen, zelfs als het gaat om een hele mooie, moderne stal. Varkens in de natuur leven in groepen van 20 tot 30 dieren, terwijl ze daar met duizenden bij elkaar zitten. Dat is een heel onnatuurlijke situatie. En dus worden er vragen gesteld over het welzijn van die dieren. Dat zijn zaken die vroeger helemaal niet speelden, maar nu wel omdat we anders naar dieren kijken”, beweert Raemaekers.

Retail neemt rol van beleid over

Joris Relaes, administrateur-generaal van ILVO, ziet op dat vlak ook een opmerkelijke tendens als het over beleid gaat. “Dierenwelzijn is materie die Europees geregeld wordt. Sinds de Centraal- en Oost-Europese landen zich hebben aangesloten bij de Unie zie je dat we weinig vooruitgang hebben geboekt op vlak van dierenwelzijn. Dat komt omdat het denken en de houding over dierenwelzijn heel anders is in dergelijke landen in vergelijking met de meer West-Europese landen. Ondertussen worden dierenwelzijnsissues meer en meer overgenomen door de retail. Zij beginnen labels te ontwikkelen om tegemoet te komen aan de verzuchtingen van de consument.”

In Afrika stelt men zich zelfs openlijk vragen bij deze strenger wordende eisen op vlak van dierenwelzijn. “Wanneer zij willen exporteren naar Europa en daarbij op dierenwelzijnseisen stuiten, dan worden ze daar heel boos om. Volgens de Afrikaanse landen vinden die verwende westerlingen dat allemaal uit om hun producten bij de rijke consumenten weg te houden. Zij zien het als hersenspinsels van rijke Westerlingen, terwijl wij het zien als legitieme vragen van onze bevolking. Dat is dus een zeer moeilijk debat”, aldus Relaes.

beter voor iedereen label dierenwelzijn

Ethische standpunten en foutieve meningen

Natuurlijk duiken er al snel een aantal ethische vragen op als het over dierenwelzijn gaat. Moderator Ine Renson vraagt de panelleden of het wel ethisch is om dieren op grote schaal te houden. Moeten we niet naar een voedingspatroon gaan waar geen dierlijke producten aan te pas komen? Stef Aerts begrijpt van waar de vraag komt, maar hij vindt dat de link die gelegd wordt tussen een veganistisch voedingspatroon dat haalbaar is in onze Westerse context en een veganistisch landbouwsysteem op wereldschaal, allesbehalve evident is. “Daar zijn we nog niet aan toe om daar een sluitend systeem van te maken”, meent hij.

Op de vraag of het ethisch is om dieren op grote schaal te houden, is er volgens Aerts geen sluitend antwoord te geven. “Het hangt gewoon af van je ethische standpunten. Ik kan daar mijn mening wel over geven, maar daar stopt het ook. De meerwaarde van die vraag zit in het helder krijgen van je eigen aannames: waarom vind je zelf iets verantwoord of onverantwoord? Wil je over die materie in gesprek gaan, dan is het belangrijk om daar een antwoord op te vinden, zowel als consument als als producent.”

Jeroen Dewulf, professor aan de Faculteit Diergeneeskunde van de UGent, voert elk jaar een gelijkaardige discussie met zijn studenten uit de eerste bachelor. “In die richting heb je breed spectrum van meningen over dierenwelzijn, gaande van boerenzonen en -dochters die heel defensief reageren vanuit een soort angst voor het verdwijnen van hun stiel tot mensen die extreem met dierenwelzijn begaan zijn”, legt hij uit. “Wat ik wel zie is dat sommigen onder hun hun mening formuleren op basis van heel foute argumenten. Dat iedereen zijn eigen finale ethische overwegingen maakt, is goed, maar dat moet wel gebeuren op basis van feiten die juist zijn. ‘You have the right to your own opinion, but not your own facts’”, zegt Dewulf het met een Engelse uitdrukking.

Wat je heel vaak ziet, is dat mensen een mening hebben en daar argumenten bij zoeken, terwijl je argumenten moet zoeken om daarna een mening te formuleren

Stef Aerts - Docent Agro- en biotechnologie - Odisee Hogeschool

Stef Aerts volgt Dewulf daarin. “Als het gaat over meningen, is er geen juist of fout, maar er zijn wel betere of slechtere meningen. Het is gewoon een feit dat sommige meningen heel slecht in elkaar zitten. Als er feitelijke fouten of logische fouten in je argumentatie zitten, dan is je conclusie niet oké”, benadrukt hij. “Wat je heel vaak ziet in een discussie, is dat mensen – en iedereen maakt die fout – een mening hebben en daar argumenten bij zoeken, terwijl je argumenten moet zoeken om daarna een mening te formuleren.”

Dierenwelzijn versus milieu en klimaat

Jeroen Buysse, als actief aan de vakgroep Landbouweconomie van de Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen UGent, wou van zijn collega-panelleden of het een goede keuze is om omwille van dierenwelzijnsargumenten te kiezen voor biologisch vlees omdat hij daarover gemengde signalen opvangt.

Zijn UGent-collega Jeroen Dewulf zegt dat ook de literatuur daar verdeeld over is. “Je moet begrijpen dat er een heel spectrum aan biologische systemen is en dat er verschillen tussen diersoorten zijn. Het verschil tussen bio en gangbaar in de varkenshouderij is bijvoorbeeld een pak groter dan dat in de rundveehouderij het geval is. Als een varken gehouden wordt in een systeem met buitenbeloop, niet te extensief maar eerder wat intensief waarbij er aandacht is voor de juiste voeding en verzorging door een alerte veehouder, dan heeft dit dier meer kans om zijn natuurlijk gedrag te vertonen en dan zal zijn welzijn wellicht beter zijn dan een gangbaar gehouden varken.”

Hij erkent dat zo’n varken hem ook gelukkiger maakt als hij dat ziet lopen. “Op sommige vlakken is onze intensifiëring doorgeslagen. Denk maar aan een zeug die vlak voor ze moet werpen in een kooi wordt gezet waar ze vier weken lang alleen maar kan rechtstaan en terug gaan liggen. Ik zie dat ook niet graag. Ik begrijp dat het een aantal technische en zelfs gezondheidsvoordelen heeft, maar in termen van dierenwelzijn is dat niet helemaal oké. Maar we mogen het kind niet met het badwater weggooien: we moeten erkennen dat die dierenwelzijnsissues er zijn en door middel van innovatie zoeken naar oplossingen. Concluderen dat de veehouderij dan maar weg moet, dat is een stap te ver”, meent Dewulf.

Op sommige vlakken is onze intensifiëring doorgeslagen, maar we mogen het kind niet met het badwater weggooien

Jeroen Dewulf - Professor Faculteit Diergeneeskunde - UGent

Hij wijst er op dat biologische veehouderij in een zeker aantal gevallen dan wel beter is voor het dierenwelzijn, dat is het niet altijd voor het milieu en het klimaat. Vaak denken mensen, maar dat klopt niet. Voor mij persoonlijk vormt dit bijvoorbeeld een reden om niet voor biovlees te kiezen”, zegt hij. Ook dat bio gezonder is, is volgens hem een fabel. “De smaak kan wel beter zijn, maar dat heeft meer te maken met het feit dat een biologisch gehouden dier trager groeit en meer intramusculair vet ontwikkelt of omdat er andere rassen worden gebruikt.”

Dierenwelzijn als verkoopargument

Of de consument met zijn aankoopgedrag een verschil kan maken in de manier waarop onze dieren gehouden worden, dat betwijfelt Stef Aerts sterk. “Ik geloof niet dat de consument de drijvende kracht is in dit verhaal. We moeten goed beseffen dat de overgrote meerderheid van de mensen de problematiek niet kent en niet wil kennen. Een recent wetenschappelijk onderzoek concludeerde zelfs dat mensen actief informatie vermijden die hen zou kunnen sturen naar het kopen van betere producten.”

Jeroen Buysse ziet zijn collega’s binnen de Vakgroep Landbouweconomie andere conclusies trekken. “Er is wel een bereidheid om meer te betalen voor allerlei externaliteiten, zoals dierenwelzijn, milieu of klimaat. Voor dierenwelzijn is die bereidheid zelfs groter dan voor milieu of klimaat. Dat zie je ook in de winkelschappen: dierenwelzijnslabels zijn daar veel prominenter aanwezig dan milieulabels. Ik ga ervan uit dat er bij de consument wel een bepaalde gevoeligheid is, anders worden die extra inspanningen en kosten ook niet gedaan.”

Ook Joris Relaes heeft die toegenomen gevoeligheid voor dierenwelzijn al opgemerkt. “Ik kan dat niet onderschrijven met papers, maar als ik met jonge mensen in contact kom, valt mij dat wel op. Ik denk dan ook dat we naar de toekomst toe niet meer onder die verzuchtingen op vlak van dierenwelzijn onderuit kunnen, willen we de vleesproductie overeind houden. Het zal ook in toenemende mate een verkoopargument worden. In tegenstelling tot bij milieu of klimaat kunnen we ons bij dierenwelzijn ook echt iets voorstellen.”

In tegenstelling tot bij milieu of klimaat kan de consument zich bij dierenwelzijn ook echt iets voorstellen

Joris Relaes - Administrateur-generaal ILVO

Wel verwacht Relaes dat er een tweedeling komt met aan de ene zijde echte, onbewerkte producten zoals vlees, melk en zuivel en langs de andere kant bewerkt, onzichtbaar voedsel. Bij die laatste categorie staat ons nog een hele evolutie te wachten. “Het voedsel dat via microbiële weg tot bij ons komt, zal er in de toekomst heel anders uitzien dan vandaag”, meent hij.

Aerts erkent dat bepaalde consumenten zeker bereid zijn meer te betalen voor die labels, maar dat het toch maar om een aantal procenten van de hele bevolking gaat. We zullen volgens hem andere pistes moeten bewandelen om echt verandering te brengen, dan alleen maar wachten op de vraag van de consument. In dat verband wijst hij naar het voorbeeld van de eieren. “Op een half jaar tijd zijn vrije uitloop en scharreleieren in ons land de standaard geworden. Niet omdat de consument daarvoor koos, maar wel omdat de retailers beslist hebben om geen kooi-eieren meer aan te bieden. Daarmee verdween het goedkoopste ei met één beslissing van het schap”, zegt Stef Aerts.


Volgende week: Stelling 4: Intensieve veehouderij is beter voor het klimaat.

Bron: Eigen verslaggeving

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek