Boer en voederfabriek slechte verdieners in zuivelketen
nieuwsEr wordt in ons land steeds meer melk (+22,5% tussen 2006 en 2013) geproduceerd met steeds minder koeien (-18,3% tussen 2000 en 2012). Het aantal melkveebedrijven nam nog sneller af (-46,3%) zodat het aantal koeien per bedrijf steeg van 33 in 2000 naar gemiddeld 50 in 2012. Uit een meerjarige analyse door het Prijzenobservatorium blijkt dat de melkveebedrijven rode cijfers schrijven als de boer een vergoeding voor eigen arbeid zou tellen. De detailhandel is vermoedelijk – aparte cijfers voor zuivelverkoop waren niet beschikbaar – de meest rendabele schakel in de zuivelketen. De veevoederindustrie werkt met de krapste marges, de boer niet te na gesproken.
Een analyse van de zuivelketen door het Prijzenobservatorium van de FOD Economie brengt een opvallende tendens in de melkveehouderij aan het licht: met steeds minder koeien wordt almaar meer melk geproduceerd. Bovendien worden de koeien door bijna de helft minder boeren gemolken wanneer je de vergelijking maakt tussen 2000 en 2012. De melkprijs die aan de producenten uitbetaald wordt, kent een sterk fluctuerend verloop maar bevindt zich vandaag op een erg hoog niveau. In mei bedroeg de producentenprijs 39 eurocent per liter melk. In vergelijking met 2006 is dat 40,7 procent meer. Het Prijzenobservatorium zegt erbij dat de Belgische zuivelmarkt sterk beïnvloed wordt door wat er op de mondiale zuivelmarkt gebeurt. De melkopbrengsten maken, samen met de ontvangen premies, 90 procent uit van de inkomsten van de melkveehouder.
De kosten op een melkveebedrijf namen de voorbije jaren sterk in prijs toe. De samengestelde voederprijs steeg tussen 2006 en mei 2014 met meer dan 80 procent, meststoffen en energie met respectievelijk 60 en 55 procent tussen 2006 en maart 2014. Daarnaast ziet de melkveehouder zich geconfronteerd met vaste kosten, zoals de werktuigkosten en de kosten verbonden met grond en gebouwen (25 à 32 procent van de totale kosten).
Over de beschouwde periode bleef het brutoresultaat van de Belgische melkveehouder positief, zowel in Vlaanderen (2006-2011) als in Wallonië (2006-2012), met een dieptepunt in 2009. Dit brutoresultaat houdt echter geen rekening met de vergoeding voor eigen arbeid, die een derde van de totale kosten uitmaakt. Wanneer deze vergoeding voor eigen arbeid mee in rekening wordt genomen, komt het nettoresultaat van de gemiddelde melkveehouder elk jaar negatief uit. Op basis van berekeningen door de Vlaamse overheid maakt het Prijzenobservatorium daarbij de bedenking dat er een grote spreiding zit op het netto bedrijfsresultaat van gespecialiseerde melkveebedrijven.
Van de andere schakels in de zuivelketen was de detailhandel (supermarkten en buurtwinkels) de meest rendabele (nettobedrijfsmarge 3,8% tussen 2006 en 2012) in de veronderstelling dat de cijfers voor zuivel gelijke tred houden met die voor hun gehele assortiment. Het is ook de enige sector met een hogere concentratiegraad. Van de schakels in de zuivelketen voor en na de boer blijkt de veevoederindustrie het minst rendabel (1,4%). Zuivelindustrie en groothandel in zuivelproducten situeren zich qua rendabiliteit tussen beide uitersten. Een vergelijking met de voedingsindustrie in haar geheel doet het Prijzenobservatorium nog opmerken dat in de zuivelindustrie minder bedrijven de dans uitmaken. Toch is de concentratiegraad niet hoog.
Tussen 2006 en mei 2014 steeg de prijs voor zuivelproducten sterker in België dan in de buurlanden (+32,7% voor België, +28,6 % voor Duitsland, +25,5 % voor Nederland en +11,4 % voor Frankrijk). De prijsvorming verloopt eerder asymetrisch maar dat is ook in Frankrijk en Nederland het geval. Een verandering in de prijs aan de melkveehouder brengt wel een reactie van de Belgische zuivelindustrie teweeg, maar met enige vertraging en in mindere mate. Zeker bij dalende vergoedingen voor de melkveehouders dalen zuivelproducten niet even snel en even fel in prijs. Over de beschouwde periode is de prijstrend eerder stijgend of stabiel. In de buurlanden is het net zo. Enkel Duitsland vertoont een eerder symmetrische prijstransmissie in alle schakels van de keten. Daar lijken de gemiddelde consumptieprijzen meer uitgesproken te reageren bij dalende grondstofnoteringen.
Uit een enquête naar de aankoopprijzen van de Belgische distributiesector blijkt dat het beeld iets genuanceerder is. Terwijl het profiel van de verkoopprijzen van de zuivelindustrie aan de kleinhandel enigszins gelijklopend is met dat van de uitbetaalde prijs aan de melkveehouder, is dit niet altijd het geval voor de winkelprijzen van halfvolle melk, geraspte Emmentalkaas en boter. Bij stijgende prijzen bij de voorgaande schakel in de keten, stijgen ook de consumptieprijzen voor de drie onderzochte producten, al dan niet met vertraging. Wanneer de verkoopprijzen van de zuivelfabrieken neerwaarts georiënteerd zijn, vertonen de consumptieprijzen een veel beperktere correctie. Alleen voor boter is er sprake van een min of meer symmetrische prijstransmissie tussen de verkoopprijzen van de zuivelindustrie en de retail.
Bij de analyse van de prijsvorming is enkel rekening gehouden met de grondstoffenprijs, maar het Prijzenobservatorium geeft zelf aan dat ook andere factoren (loonkosten, concurrentie, consumentenvoorkeuren, enz.) een rol spelen bij de prijsvorming.
Meer info: Prijzenobservatorium