Wat als je euro's en niet hectaren neemt als maat?
nieuwsIn de nieuwe landbouwstatistieken van Eurostat wordt de structuur van de landbouwsector in de verschillende lidstaten vergeleken. Het onderscheid tussen kleine en grote landbouwbedrijven wordt meestal gemaakt op basis van het bedrijfsareaal. In dat geval scoren de Lage Landen niet zo hoog, maar ga je uit van de bedrijfsomzet (of de standaard output als inschatting van die omzet, nvdr.) dan klimmen Nederland, België en Luxemburg in de rangschikking tot helemaal bovenaan. Volgens Eurostat zijn er nergens anders zoveel boerderijen met een standaard output die 100.000 euro of meer bedraagt. Ter vergelijking: in Roemenië en Hongarije is enkele duizenden euro's een normale jaaromzet voor twee derde van de daar actieve boeren.
Het aantal landbouwbedrijven in de Europese Unie is in vrije val. Tussen 2005 en 2013 verdween meer dan een kwart van de boerderijen. Jaarlijks komt dat neer op 3,7 procent stopzettingen in de sector. Het Europese gemiddelde werd in deze periode fors omhoog getild door Slovakije (-12,5% per jaar), Bulgarije (-8,9%), Polen (-6,6%), Italië (-6,5%), Tsjechië (-5,8%), Letland (-5,5%) en het Verenigd Koninkrijk (-5,3%). Ierland is de enige lidstaat die meer landbouwbedrijven telde in 2013 dan in 2005. Zevenduizend kwamen er bij, wat neerkomt op 0,6 procent per jaar.
Het dalend aantal landbouwbedrijven heeft een vrijwel ongewijzigd landbouwareaal in gebruik. In 2013 ging het om 174,6 miljoen hectare. De evolutie naar minder maar grotere bedrijven gaat het snelst in de nieuwe EU-lidstaten die op het moment van hun toetreding in 2004 getypeerd werden door een kleinschalige landbouwsector. Eén derde van alle landbouwbedrijven in Europa is in Roemenië gesitueerd. Polen telt 13,2 procent van de boerderijen en verder is er geen enkele lidstaat met een aandeel van meer dan tien procent. Het meeste landbouwgrond is beschikbaar in Frankrijk (15,9% van het EU-areaal), Spanje (13,3%), het Verenigd Koninkrijk (9,9%), Duitsland (9,6%), Polen (8,3%) en Roemenië (7,5%).
De analyse die Eurostat maakt van de structuur van de landbouwsector is gebaseerd op de standaard output van de bedrijven. Groot of klein wordt dus niet gelieerd aan het bedrijfsareaal maar aan de omzet die zowel met gewassen als met vee gerealiseerd wordt. De standaard output is een maat voor de bedrijfsomzet, maar zegt niets over de rendabiliteit aangezien het kostenplaatje niet bekeken wordt.
In 2013 waren er in Europa 4,4 miljoen boerderijen met een standaard output kleiner dan 2.000 euro. Nog eens 3,1 miljoen boerderijen hebben een bescheiden standaard output tussen 2.000 en 8.000 euro. Samen maken deze (zeer) kleinschalige landbouwbedrijven meer dan twee derde (69,1%) van de sector uit. Hun belang uitgedrukt als aandeel in de standaard output van de Europese landbouw is vele malen kleiner, slechts vijf procent. Er zijn in (Oost-)Europa dus nog veel boeren actief die grotendeels bezig zijn met zelfvoorziening.
Aan de andere kant van het spectrum heb je de 680.000 landbouwbedrijven in Europa met een standaard output van 100.000 euro of meer. Deze zeer grote landbouwbedrijven zijn in de minderheid (6,3%) maar leverden in 2013 wel 71,4 procent van de standaard output van de Europese landbouw. Het kan zowel gaan om grote akkerbouwbedrijven als om bedrijven met een klein bedrijfsareaal die hun hoge omzet realiseren met tuinbouw op een relatief kleine oppervlakte of intensieve veehouderij.
Van alle landbouwers zijn onze Noorderburen de grootverdieners als je kijkt naar standaard output. Die zou volgens Eurostat 303.800 euro bedragen voor het gemiddelde Nederlandse bedrijf. Het Europese statistiekbureau schrijft dat toe aan de teelt van producten met een hoge toegevoegde waarde zoals fruit, groenten (onder glas) en bloemen. België moet met 222.600 euro als gemiddelde standaard output voor een landbouwbedrijf naast Nederland enkel nog Denemarken (246.700 euro) laten voorgaan. Het gespecialiseerde en intensieve karakter van onze land- en tuinbouw komt hier goed uit de verf.
Er zijn nog vijf andere lidstaten waar landbouwbedrijven een behoorlijk grote economische omvang hebben, met name Tsjechië, Duitsland, Luxemburg, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De nationale gemiddelde standaard output is hier 117.800 euro in het geval van de Britten en 169.400 euro voor de Tsjechische boeren die bekendstaan om hun grote bedrijfsareaal. De andere lidstaten komen gemiddeld niet boven de drempel van 80.000 euro uit. Er zijn er zelfs tien waar de doorsnee landbouwer geen jaaromzet van 15.000 euro behaalt als je ervan uitgaat dat de standaard output daar een goede maat voor is. In Roemenië spreek je gemiddeld over amper 3.300 euro standaard output. Economisch gezien is de Nederlandse landbouw 92 maal groter.
In Nederland maar ook in België en Luxemburg valt op dat een groot deel van de landbouwbedrijven een hoge standaard output heeft. Meer dan de helft van de bedrijven in de Benelux realiseert minstens een standaard output van 100.000 euro. Het verschil tussen Oost- en West-Europa is nog altijd bijzonder groot als je weet dat ook in Duitsland, Frankrijk, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk 37,8 tot 26 procent van de landbouwbedrijven een standaard output van zes cijfers realiseren. Vergelijk dat maar eens met Roemenië en Hongarije, waar iets meer dan twee derde van de boeren minder dan 2.000 euro op jaarbasis ontvangt. Ook in Bulgarije en Letland en de kleine landbouwlanden Malta en Cyprus is zo’n extreem lage standaard output typerend voor de sector.
Eurostat is dieper gaan graver in de cijfers en vond er ook op het niveau van de regio’s. In Europa zijn er 35 regio’s waar de standaard output van een landbouwbedrijf gemiddeld 200.000 euro of meer bedraagt. De Duitse deelstaat Saksen-Anhalt voert de rangschikking aan. In heel Nederland uitgezonderd Zeeland verkeert de landbouwsector in deze situatie. Het is op de kaart in de Eurostat-brochure niet zo makkelijk uit te maken, maar met uitzondering van de provincies Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant lijkt een standaard output van 200.000 euro ook de maatstaf in de rest van Vlaanderen. Verder zijn er ook in Denemarken, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Tsjechië en Slovakije één of meerdere regio’s met een landbouwsector die economisch hoge ogen gooit.
Meer info: Eurostat