Flashback 2001: landbouw wordt Vlaamse bevoegdheid
nieuwsRuim 15 jaar geleden werd in de ambtswoning van de eerste minister in de Brusselse Lambermontstraat maandenlang onderhandeld over de overheveling van bevoegdheden van het federale niveau naar het gewestelijke niveau. Ook aanzienlijke delen van de landbouwportefeuille verhuizen naar het Vlaamse niveau. Staatssecretaris Annemie Neyts is als federaal landbouwminister bevoegd voor de overdracht, voor de operationele uitwerking wordt onder meer een beroep gedaan op Piet Vanthemsche.
In 2001 vinden de Vlaamse en Franstalige liberalen, socialisten, groenen en de Volksunie een politiek akkoord over de verdere aanpassing van de federale staatsinrichting, de vijfde staatshervorming sinds 1970. Die hervorming draait vooral om de verdere overdracht van bevoegdheden van het federale niveau naar de gewesten. De gemeente- en provinciewet, buitenlandse handel, ontwikkelingssamenwerking en ook landbouw worden Vlaamse materie. Annemie Neyts van de toenmalige VLD wordt als federaal landbouwminister belast met uitvoering van de regionalisering.
Op 1 oktober 2002 krijgen 2.633 personeelsleden van het federale ministerie elders onderdak. In totaal gaan 1.313 federale landbouwambtenaren voortaan werken voor de gewesten, 708 voor het Vlaams en 605 voor het Waals gewest. Van hun collega's worden er 611 overgeheveld naar de federale overheidsdiensten van Volksgezondheid, Economie, Sociale Zekerheid en Buitenlandse Zaken en 709 naar het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid (FAVV).
Piet Vanthemsche, die zelf 15 jaar als landbouwambtenaar heeft gewerkt, wordt als externe consultant vanuit de Vlaamse regering gevraagd om de operatie in goede banen te leiden. De verschillende beleidsdomeinen worden ontvlecht en ondergebracht in een nieuwe structuur. Heel wat diensten worden Vlaams, alles wat met voedselveiligheid en dierziekten te maken heeft, verhuist naar het FAVV. “Belangrijk is alleszins dat de landbouwers zelf van de hele operatie niets merken”, zo sprak Vanthemsche destijds.
Niet voor alle organisaties en instellingen loopt de regionalisering trouwens van een leien dakje. Bij het Instituut voor Visserij- en Landbouwonderzoek (ILVO) bijvoorbeeld duurde het lang vooraleer de gebouwen die eigendom waren van de federale Regie der Gebouwen uiteindelijk eigendom werden van ILVO, waardoor de noodzakelijke renovaties aan gebouwen en onderzoeksinfrastructuur lang op zich hebben laten wachten.
Om op de hoogte te blijven van wat er in de andere landsdelen gebeurt en om indien nodig beleid op elkaar af te stemmen wordt er door het Vlaams gewest een verbindingsofficier aangesteld. Ook aan de communicatie met Europa moet worden gevijld. Van federaal minister Neyts wordt verwacht dat ze op de Europese Landbouwraden ook de standpunten van de gewesten vertolkt, daarbij geholpen door een interregionale cel. “Zij zijn de uitkijkpost van de gewesten”, aldus Vanthemsche. “We willen de kritiek weerleggen dat de regionalisering van landbouw op Europees vlak niet zou werken. Vroeger was de federale overheid op Europees niveau de piloot, nu zitten de gewesten in de driving-seat.”
Toch zorgt de regionalisering van de bevoegdheid af en toe toch voor frustratie. Zo krijgt premier Guy Verhofstadt eind 2002 een brief van een misnoegde José Happart (PS), op dat moment Waals landbouwminister. Happart pikte het niet dat Verhofstadt op een VN-top over duurzame ontwikkeling gepleit had voor de afschaffing van de exportsubsidies in het Europese landbouwbeleid. Happart, die voorstander was van die subsidies, vond dat Verhofstadt dergelijk standpunt niet mocht verkondigen omdat het over een regionale bevoegdheid ging.
Ook in het parlement wordt hevig gediscussieerd over de zin en onzin van de regionalisering. "Wij hebben altijd gesteld dat het markt- en prijsbeleid niet mocht geregionaliseerd worden”, aldus toenmalig Vlaams CD&V-parlementslid Eric Matthijs. “In Europa spreken we niet meer mee over het landbouwbeleid. Door de grote verschillen tussen de Vlaamse en Waalse landbouw is een eensgezind standpunt zeer moeilijk te bepalen, en daardoor blijft België afwezig in het Europese debat.”