Zuivelsymposium zoomt in op bodemzorg: “De basis voor de rendabiliteit van je bedrijf”
ReportageOm gezonde melk te creëren is de koe niet minder belangrijk dan het gras waar ze op loopt. Op het zuivelsymposium van VLAM en BCZ werd ingezoomd op het belang van de bodem voor het runnen van een melkveehouderij die zowel financieel als biologisch gezond is. Tegelijk is dit het startschot van een nieuw zuivel-factbook van VLAM, vol weetjes en leerrijke ervaringen voor elke melkveehouder.
Het belang van een gezonde bodem zit al stevig ingeburgerd bij melkveehouders. De recentste MilkBE Duurzaamheidsmonitor toont dat 75 procent van de melkveehouders een bodem- en mestanalyse laat uitvoeren. “Begin 2016 was dat nog maar 42 procent. Er is dus zeker een evolutie”, zegt Lien Callewaert van BCZ. Volgens haar zijn die analyses zeer nuttig, want elke bodem is anders. "Er bestaat geen one size fits all-oplossing voor elk melkveebedrijf. Elk bedrijf heeft zijn eigen accenten en er zijn veel verschillende wegen om aan verduurzaming te werken.”
Die verduurzaming is nu al zichtbaar op het terrein. Volgens BCZ wordt er 27 procent minder energie verbruikt per liter verwerkte melk sinds 2024. Ook de CO2-uitstoot en het waterverbruik zijn met exact datzelfde percentage gedaald.
De sector is qua omvang niet te onderschatten. De Belgische zuivelsector draaide in 2025 7,93 miljard euro omzet. Er zijn in Vlaanderen 522.545 melkkoeien verdeeld over 5.473 melkveebedrijven.
Om veehouders vooruit te helpen, presenteren BCZ en VLAM cijfermateriaal en getuigenissen van experten en zuivelhouders. Hun inzichten kunnen anderen helpen om de juiste keuzes te maken voor hun bedrijf.
Bodem is 'het kapitaal van de landbouwer'
Eén van de experten te gast op het zuivelsymposium was Nele Jacobs van ILVO, auteur van het boek ‘Het Komt Goed met ons eten’. Het tweede hoofdstuk van dit boek is volledig toegewijd aan de bodem, en dat is niet toevallig. “Het is het begin van alles”, zegt Jacobs.
De bodem is volgens haar de laatste jaren alleen maar relevanter geworden. “Er zijn voor het eerst tekenen dat het Middellandse Zeegebied zichzelf niet meer zal kunnen voeden. Verwoestijning rukt daar op. En hetzelfde zien we hier. Volgens de Eurosion Soil Degradation Monitor vertoont meer dan 60 procent van de bodems binnen Europa tekenen van degradatie.”
Volgens de Eurosion Soil Degradation Monitor vertoont meer dan 60 procent van de bodems binnen Europa tekenen van degradatie
“Het goede nieuws is dat er ongeziene technologische mogelijkheden zijn vandaag. Er rijden robots rond die veel minder wegen en taken autonoom en zeer precies kunnen uitvoeren. En het besef van hoeveel de bodem waard is, neemt toe.”
Jacobs noemt de bodem ‘het kapitaal’ van de landbouwer. “Letterlijk en figuurlijk. In Vlaanderen zitten we gemiddeld aan 70.000 euro per hectare, de kopgroep van Europa”, zegt ze. Voor haar illustreert dit nog maar eens waarom voor die grond extra goed gezorgd moet worden.
Het belang van koolstof
Tommy D’Hose, expert bodemverdichting en koolstofopslag bij ILVO, zorgde voor het chemische luik. Hij lichtte twee van de belangrijkste bodemparameters toe: pH of zuurtegraad en koolstof. pH bepaalt de activiteit van schimmels en bacteriën, de bodemstructuur en de opneembaarheid van voedingsstoffen zoals stikstof en fosfor. “Ongeveer 40 tot 45 procent van de akkers in Vlaanderen zitten onder de streefzone van pH”, zegt D’Hose. Voor de duidelijkheid: een lage pH betekent een hoge zuurgraad.
Ongeveer 40 tot 45 procent van de akkers in Vlaanderen zitten onder de streefzone van pH
Het organische koolstofgehalte vindt D’Hose misschien wel de belangrijkste bodemparameter. Dit is organisch materiaal zoals oogst- en plantenresten of mest, dat in de bodem door micro-organismen is afgebroken. Een koolstofrijke bodem heeft allerhande voordelen zoals een betere bodemstructuur en meer plantenvoeding, en het biedt een buffer tot pH-schommelingen. Maar waar pH-waarden op relatief korte termijn kunnen worden bijgesteld met bijvoorbeeld kalk, is de opbouw van organische stof een werk van lange adem.
Planten halen CO2 uit de atmosfeer en zetten die om via fotosynthese, en een deeltje van die CO2 wordt opgeslagen in de bodem. Als je één ton koolstof in de bodem kan opslaan, haal je in feite vier ton CO2 uit de lucht", licht D'Hose toe.
Landgebruik speelt hier een grote rol. D’Hose merkt op dat permanent grasland evenveel koolstof capteert als een bos. “Akkerland slaat door de vele bodembewerkingen en teelt van eenjarige gewassen minder koolstof op. De meest efficiënte manier om koolstof op te slaan, is door akkerland om te zetten naar grasland. Maar eens je het gras weer omzet naar een akker, verlies je één tot twee ton koolstof per hectare. Koolstof komt te voet en gaat te paard.”
Toch is het niet onmogelijk om op akkerland aan koolstofopslag te doen. D’Hose verwijst naar een studie van LCV. Daar stelde men bij monocultuur kuilmais een achteruitgang vast van het koolstofgehalte. Maar bij een teeltrotatie tussen grasklaver, triticale, voederbiet en kuilmais, zag men op termijn de koolstofwaarden verhogen.
Die koolstofwaarden zijn niet alleen relevant voor wie het broeikaseffect wil tegengaan. Zelfs een vermeerdering van één naar twee procent koolstof in de bodem gaat erosie tegen en kan maken dat een bodem 20.000 tot 60.000 extra water per hectare vasthoudt. Ter vergelijking: maïs kan 40.000 tot 70.000 liter water per hectare per dag verbruiken. “Daarmee vergeleken is de extra hoeveelheid water niet spectaculair, maar de beschikbaarheid van vocht is cruciaal rond de bloei en kan wel het verschil maken”, zegt D’Hose.
Ook verdichting verdient aandacht. “Als je op een weide twee koeien ziet grazen, dan zit 20 procent van het gewicht biomassa in die koeien, en 80 procent in de bodem”, zegt D’Hose. Maar als de bodem verdicht is, worden zowel de groei van wortels als de passage van organismen zoals regenwormen belemmerd.
Landbouwadviseur: "Hoeveel koolstof zit er in kunstmest? Nul komma bijna niets"
Eén van de ervaringsdeskundigen is Tuur Vandeweyer, expert agro-ecologie bij Latitude Landbouwadvies en ‘boerinnenman’: zijn vrouw beheert een vleesvee- en akkerbouwbedrijf met aandacht voor de bodem. Die zorg is niet alleen goed voor het milieu, maar ook voor het financieel rendement.
"Ik praat graag met oude boeren, want die weten hoe het vroeger was", zegt de landbouwadviseur. Zo overloopt hij de landbouwanalyses van een oudere landbouwer. In 1986 had die man op het perceel 4,9 procent koolstof. In 1995 werd dat 3,4 procent, In 2011 zitten we aan 2,7 procent. In 2017: 2,1 procent.”
De verwoestijning is volgens Vandeweyer een reëel dreigement, maar via agro-ecologie is het volgens hem mogelijk het koolstofpercentage van de bodem weer op te krikken. “Koolstof is heel belangrijk en kan je op verschillende manieren vergaren”, duidt hij. Maar helaas is niet elke manier even evident. Compost maken op basis van stalmest wordt wetmatig eenvoudiger dan het vroeger was, maar het blijft voor vele bedrijven een moeilijke piste.
“En hoeveel koolstof zit in kunstmest? Nul komma bijna niets. Is het dan logisch dat we alleen met kunstmest werken en boeren geen dierlijke mest gebruiken?”, vraagt Vandeweyer zich af.
De sleutel ligt volgens Vandeweyer bij kwaliteitsvolle dierlijke mest. “We zien drijfmest nu als een afvalproduct en een probleem, maar als de verhoudingen goed zitten, zijn de emissies niet zo hoog en krijg je voeding voor je bodemleven en je planten”, zegt hij.
Die gezonde mestverhoudingen krijg je volgens hem alleen als je dieren gezond voer eten, en dat krijg je op zijn beurt door je voer te telen op een gezonde bodem.
Hoewel Vandeweyer erkent dat een landbouwbedrijf niet in één keer van kunstmest kan afstappen, adviseert hij om het geleidelijk aan te doen. Het eerste jaar naar 50 procent van de hoeveelheid kunstmest, het jaar erop 25 procent en dan niets. Stikstof is er volgens hem genoeg. “Boven een hectare grond hangt 72 ton stikstof in de lucht die je kan capteren met vlinderbloemigen. Als je die symbiose benut, krijg je gratis en voor niks stikstof, goed voor het equivalent van 400 à 500 kilo kunstmest”, zegt hij.
Een andere sleutel voor een gezonde bodem, ziet hij in plantendiversiteit op de akker. Wanneer planten via fotosynthese CO₂ vastleggen, transporteren ze een deel van de gevormde koolstofverbindingen naar hun wortels. Daar geven ze wortelexudaten af, zoals suikers, aminozuren en organische zuren, die als voedselbron dienen voor micro-organisme. Een deel van deze koolstof wordt door bodemorganismen opgenomen en kan bijdragen aan de vorming van stabielere organische stof in de bodem. Door hun activiteit kunnen deze organismen bovendien de omzetting van organisch gebonden stikstof stimuleren, waardoor op termijn meer stikstof beschikbaar kan komen voor planten.
In 1920 gaven de koeien ook 40 liter melk per dag. Beweren dat we minder productie hebben als we de regeneratieve weg uitgaan, is een fabeltje
“Dat zijn geen nieuwe vaststellingen, maar wetenschap van meer dan honderd jaar geleden”, zegt Vandeweyer. “In 1920 gaven de koeien ook 40 liter melk per dag. Beweren dat we minder productie hebben als we de regeneratieve weg uitgaan, is een fabeltje.”
Financieel zal een transitie volgens hem snel opbrengen, zeker ten tijde van dure kunstmestprijzen. “Ik heb bedrijven die het eerste jaar 100.000 euro minder kosten hebben, met dezelfde melkopbrengst.”
Ecologisch gewin, maar ook financieel?
Het financiële plaatje is ook belangrijk voor Jonas Hanssens, melkveeconsulent bij Boerenbond. Hij bevestigt dat minder externe inputs zoals kunstmest, niet noodzakelijk leiden tot minder opbrengst. Hanssens analyseerde een 900-tal bedrijfseconomische boekhoudingen en zocht naar wat de kwart grootste verdieners onderscheidt van de kwart slechtste verdieners. “In goede jaren is het verschil tussen een boer in de goede en de slechtste groep meer dan 2.000 euro per koe. Voor een bedrijf met 100 koeien spreek je dus over 200.000 euro, de verschillen zijn enorm.”
Eén factor die altijd naar boven komt, is een uitstekende ruwvoerkwaliteit. Kwaliteitsvolle grasklaver en goede maïs maken een groot verschil. “En daar kan agro-ecologie zijn kar aan hangen”, zegt Hanssens.
Bijkomend heb je het premieverhaal. “Als er ecoregelingen bestaan die voor jou relevant zijn, neem ze dan mee. Zeker als het gaat om principes die je toch al toepast.”
Het verschil tussen de beste en de slechtst verdienende groep houdt nauw verband met de kosten voor ruwvoer. Wie een slechtere voeropbrengst heeft per hectare, heeft de facto hogere voerkosten wat de winstmarges onder druk zet. “De best verdienende groep slaagt erin om met evenveel hectare meer koeien te voeren en met beter voer”, zegt Hanssens.
De best verdienende groep slaagt erin om met evenveel hectare meer koeien te voeren en met beter voer
Maar om echte conclusies te trekken over agro-ecologisch werken, is er meer nodig dan de huidige groep pioniers die door zijn beperktere omvang statistisch licht weegt. “Over het algemeen zie je dat bedrijven die overstappen op een ander teeltplan, en minder kunstmest en andere inputs gebruiken, hun kosten zien dalen”, zegt Hanssens.
Hij wijst erop dat wie een hoger grasaandeel in het voeder verwerkt minder afhankelijk is van soja en andere externe eiwitaankopen. “Zo was de sojaprijs tijdens corona maal twee”, illustreert hij. Door zelf in eiwitten te voorzien is men minder afhankelijk van de wereldmarkt.
Bepaalde agro-ecologische principes kunnen dus wel degelijk iemand naar de grote verdieners katapulteren. “Maar externe invloeden zoals klimaat en droogte spelen natuurlijk ook een rol. Daar heb je geen impact op”, zegt Hanssens nog. ‘Sowieso is er nood aan meer onderzoek om het effect van agro-ecologisch werken beter te kunnen duiden.”
Landbouwers delen praktijkervaringen
In het nieuwe zuivel-Factbook van VLAM delen agro-ecologische landbouwers alvast hun praktijkervaring. Daarin lees je hoe landbouwer Stijn De Wulf op enkele jaren tijd de bodem van zijn gemengd bedrijf aanzienlijk verbeterd heeft. “In 2018 merkten we dat ploegen enorm intensief is, zowel qua manuren als brandstof”, zegt hij. Ploegen bleek zelfs contra-productief: “Je wil niet telkens ‘het huis van je bodemleven’ afbreken. Met intensieve bewerkingen maak je de gangen van regenwormen kapot. We proberen daarom alleen nog te doen wat echt nodig is.”
Ook zijn graslanden zijn nu bezaaid met kruiden en klavers zoals rode klaver, luzerne, chicorei en weegbree, die de bodem verbeteren. “De resultaten merken we vooral bij weersextremen. Bij intense droogte zien we dat we nog altijd opbrengst hebben wanneer het elders heel droog is, bij hevige regen zien we dat het water goed in onze grond sijpelt.”
Ook het melkveebedrijf van Mattias Braem ziet positieve resultaten na jaren inzet op agro-ecologie. “Als je de bodem goed verzorgt, leg je eigenlijk de basis voor je gras, je maïs, je koeien en dus ook voor de rendabiliteit van je bedrijf.”
Braem benadrukt wel dat er tijd nodig is alvorens de resultaten van agro-ecologisch werken duidelijk worden. “Mijn belangrijkste tip zou zijn: ga eens letterlijk met je handen in de grond zitten. Neem en spade en kijk naar je bodem. Hoe ziet de structuur eruit? Hoe diep zitten de wortels? Zit er verdichting? Hoe ruikt en voelt de grond? Je hoeft niet ineens alles om te gooien. Neem bodemstalen, volg je percelen op en probeer te begrijpen waarom iets goed of minder goed gaat.”
Het factbook is verkrijgbaar op toekomstige VLAM-evenementen voor zuivel en zal ook verschijnen op de website van VLAM.
Bron: Eigen berichtgeving