Voedingsindustrie legt beste handelsbalans ooit voor
nieuwsDe voedingsindustrie bleef in 2014 de sterkhouder van de Belgische industrie, wat het sterkst tot uiting komt in het recordbedrag aan investeringen (1,3 miljard euro, +12%) en de werkgelegenheid die goed stand hield (+0,1%). Bernard Deryckere, voorzitter van sectorfederatie FEVIA, schrijft het economisch succes toe aan export, en voornamelijk aan de 12,5 procent groei van de export naar verre markten. Belgische voedingswaren onderscheiden zich in het buitenland door kwaliteit, diversiteit en innovatie. Met bijna 23 miljard euro aan export spreekt een positieve handelsbalans (+3,9 miljard euro) als vanzelf. Al gaat er in het bedrijfsleven niets vanzelf want de automatisatie waarmee Belgische firma’s hun loonkostenhandicap proberen te maskeren, zet door lastig in te vullen jobs met een technisch profiel (o.a. machineoperator en technieker) een rem op de groei. Een ander belangrijk knelpunt zijn de hoge energiekosten voor KMO’s.
De Belgische markt voor voedingswaren is onderhand wel verzadigd, maar dat weegt niet op de economische resultaten van de voedingsindustrie in ons land. De omzet mag dan wel een kleine dip (-0,4% tot 48 miljard euro) kennen in 2014, aan het volume heeft dat niet gelegen. Abstractie makend van de volatiele prijzen (landbouwproducten sleurden voeding mee in hun prijsval, nvdr.) zijn de verkopen in volume met 0,3 procent licht gestegen. De segmenten zuivel en drank zetten sterke prestaties neer met een omzetgroei van respectievelijk 9,7 en 6 procent. Ook de voorbije jaren presteerden deze subsectoren sterk.
Minstens zo belangrijk als de omzet is dat alle andere economische parameters indrukwekkend blijven ogen. Alvorens van wal te steken met verder alleen maar goed nieuws vermelden we wel nog even dat de winstgevendheid van de voedingsindustrie in ons land blijft steken op 3,6 procent. Tien jaar geleden was vijf procent nog normaal. Verder zijn ook consolidatie en schaalvergroting trends in de voedingsindustrie, al blijft het een sector van KMO’s want 85 procent van de voedingsbedrijven telt minder dan 20 werknemers. De voorbije jaren is het aantal bedrijven stelselmatig afgenomen, zo ook in 2014 met een daling van 2,3 procent. Voor een deel heeft dat te maken met het verdwijnen van kleine bakkerijen.
Hoewel de algemene economische situatie in 2014 moeilijk bleef, hebben voedingsbedrijven zich goed uit de slag getrokken. Als gevolg daarvan neemt de sector een steeds groter aandeel van tewerkstelling, uitvoer, investeringen en omzet voor zijn rekening. Zo kende het aantal arbeidsplaatsen, uitgedrukt in voltijdsequivalenten, opnieuw een bescheiden groei met 0,1 procent en komt het nu boven de 73.000 uit. Hiermee blijft de voedingsindustrie de grootste industriële werkgever. Rekening houdend met indirecte tewerkstelling is de voedingsindustrie in België in totaal goed voor bijna 187.000 voltijdse jobs. De sector vergroot zo zijn aandeel in de totale industriële tewerkstelling tot 17,7 procent.
Bernard Deryckere, CEO van Alpro Europe en voorzitter van de federatie van de voedingsindustrie, legt sterk de nadruk op export als de drijvende kracht voor de voedingsindustrie. Het is illustratief dat zijn bedrijf, Alpro, producten op basis van soja voor 90 procent in het buitenland afzet. Ook bij de voorzitters van FEVIA Vlaanderen (Jan Vanderstichele, Lotus Bakeries) en FEVIA Wallonië (Guy Paternoster, Tiense Suikerraffinaderij) was te horen dat er zonder export bijna geen business zou zijn. Gemiddeld voor gans de sector steeg de export in 2014 met 2,1 procent tot 22,9 miljard euro. Dit resulteerde in een positieve handelsbalans voor voeding en dranken van ongeveer 3,9 miljard euro, ofwel een mooie groei van 11,8 procent. Indien doorvoer meegerekend wordt in de in- en uitvoer, dan stijgt het exportcijfer naar 27,5 miljard euro en het handelsbalansoverschot naar 4,5 miljard euro.
Buurlanden Frankrijk, Nederland en Duitsland blijven onze belangrijkste afnemers (aandeel van 57,1%), maar de belangrijkste groei doet zich voor in de nieuwe lidstaten (+5%) en in de verre export (+12,5%). De export naar de VS steeg opnieuw fors (+17,4%) tot 452 miljoen euro, waardoor het de onbetwiste verre exportkampioen wordt. Andere sterke groeiers waren Brazilië (+31,9%) – schepen vol mout vertrekken vanuit de Antwerpse haven – en China (+23,6%). De vijf productcategorieën die het best scoren in het buitenland zijn vlees, zuivel, groenten en vruchtenbereidingen, bereidingen van graan en dranken.
Na een dip in 2013 trokken de investeringen in 2014 fors aan tot een recordhoogte van 1,3 miljard euro. Hiermee investeert de voedingsindustrie 2,71 procent van haar omzet terwijl de gemiddelde industriële onderneming 2,17 procent van haar omzet investeert. Die grote investeringsbereidheid, de zwakkere euro die verre export een duwtje kan geven en het herstel van consumenten- en producentenvertrouwen zijn hoopgevende signalen voor de voedingsindustrie. FEVIA-voorzitter Bernard Deryckere heeft daarom een goed oog in 2015, ook al zijn er kapers op de kust. Een oud zeer is de competitiviteit want een steeds belangrijker deel van de toegevoegde waarde gaat naar de beloning van werknemers. Dat is maar een probleem omdat er een loonkloof van bijna 22 procent gaapt met buurlanden Nederland, Frankrijk en Duitsland.
Over de loonkostenhandicap zegt Chris Moris, algemeen directeur van FEVIA, het volgende: “De belangrijkste oorzaak van het probleem was jarenlang de afwezigheid van een minimumloon in Duitsland. Nu de Duitse (vlees)industrie werknemers minstens 8 euro per uur gaat betalen, moeten we vaststellen dat er nog altijd 50 procent verschil is met een Belgisch loon van 12 euro per uur, exclusief sociale lasten.” Daardoor zijn bepaalde activiteiten, zoals de versnijding van varkenskarkassen, gewoon niet meer rendabel in ons land. “Het Duitse minimumloon en de indexsprong zijn een verbetering maar de loonkosten blijven een probleem”, vat Deryckere samen. Bij FEVIA hopen ze dan ook dat de regering effectief werk wil maken van een ‘taks shift’.
Van een ‘taks lift’ wil de voedingsindustrie daarentegen niet meer weten. De voor 2016 aangekondigde kilometerheffing ligt hen zwaar op de maag en energie werd de jongste jaren veel te duur voor de KMO’s uit de voedingsindustrie terwijl de prijs voor grootverbruikers (o.a. chemie) nauwelijks steeg. Verrassender is dat uit de interne enquête bij leden-voedingsbedrijven de zoektocht naar geschikte kandidaten voor technische profielen (machineoperatoren, techniekers, mekaniekers) als een nog belangrijker obstakel voor groei naar voor komt.
Een tikje jaloers wordt in dat verband naar Duitsland gekeken. Jan Vanderstichele van FEVIA Vlaanderen legt uit dat een technische scholing de eerste keuze is van veel Duitse jongeren terwijl Belgische jongeren vaak eerst vele watertjes doorzwemmen alvorens aan een technische opleiding te starten. Dat is een probleem voor de recrutering op de arbeidsmarkt gelet op de sterke mechanisatie van veel voedingsbedrijven. Met de blik op buitenlandse markten gericht zijn zij bovendien zinnens om extra personeel aan te werven, alleen al bij het Alpro van Deryckere gaat het bijvoorbeeld om 200 nieuwe jobs in ons land. Ieder jaar heeft de voedingsindustrie in ons land nood aan 8.000 tot 10.000 nieuwe medewerkers.
Meer info: Economisch jaarverslag FEVIA 2014