Het gezinsbedrijf onder druk: Is het tijd voor agro-kmo's in de Vlaamse landbouw?
Podcast tipHet aantal landbouwbedrijven daalt, terwijl de overblijvende bedrijven steeds groter worden. Toch blijft het gezinsbedrijf in Vlaanderen het dominante landbouwmodel. Maar hoe houdbaar is dat nog? Volgens ILVO-topman Joris Relaes zijn de verwachtingen die op landbouwgezinnen worden gelegd bijzonder zwaar. In de podcast ‘Komt het goed met ons eten?’ stelt hij zich de vraag of we niet beter evolueren naar agro-kmo’s.
Vandaag is de Vlaamse landbouw vooral een gezinslandbouw. Een koppel, waarvan één partner soms buitenshuis werkt, staat in voor vrijwel alle taken op het bedrijf, heeft het kapitaal in handen en zorgt voor de verkoop van de producten. Een gezinsbedrijf is echter niet hetzelfde als een familiaal bedrijf: bij dat laatste is het kapitaal vaak in handen van een familie, maar het bedrijf is niet beperkt tot anderhalve arbeidskracht. “Denk bijvoorbeeld aan Colruyt, dat is een familiaal bedrijf, maar geen gezinsbedrijf”, aldus Relaes.
Pas na de Tweede Wereldoorlog het dominante model
Volgens Yves Segers, coördinator van het Centrum Agrarische Geschiedenis, werd het gezinsbedrijf pas na de Tweede Wereldoorlog het dominante model in Vlaanderen. “Daarvoor bestonden er veel verschillende bedrijfsmodellen: van grote bedrijven met arbeiders en knechten tot kleine boerderijen waar de boer ook elders werkte.”
De beschikbaarheid van arbeid speelde daarbij een cruciale rol. “Nieuwe werktuigen deden hun intrede en trekpaarden werden vervangen door tractoren. Ook de verwerking van producten, zoals melk tot zuivel, werd meer uitbesteed, bijvoorbeeld aan melkerijen. Tegelijkertijd ontstonden buiten de landbouw steeds meer aantrekkelijke jobs, waardoor mensen de sector verlieten. Op dat moment gingen ook beleid en landbouworganisaties het gezinsmodel als ideaal promoten”, legt Segers uit in deze podcast.
Frappante uitspraak van verwerker
Relaes begon zich vragen te stellen bij het traditionele gezinsbedrijf na een gesprek met een grote verwerker. “Die vertelde me: ‘Zolang er mensen zijn die de risico’s van productie zelf willen dragen, hoeven wij dat niet te doen.’ Dat choqueerde mij eerst, maar het deed me ook nadenken over de enorme druk die vandaag op landbouwgezinnen rust.”
Naast de grote risico’s zijn er ook de zware investeringen die nodig zijn om te voldoen aan milieu- en klimaatverplichtingen. “Het wordt bovendien steeds moeilijker om vergunningen te krijgen en aan rapportage-eisen te voldoen. Ook op het vlak van personeel nemen de uitdagingen toe”, zegt Relaes. Tegelijk erkent hij de sterktes van gezinslandbouw, zoals flexibiliteit en de sterke veerkracht in crisissituaties.
Andere sectoren zijn landbouw voorgegaan
Nu bedrijven steeds groter worden, vindt hij het belangrijk om stil te staan bij de druk op landbouwgezinnen en te onderzoeken in welke mate ontzorging mogelijk is. In dat kader publiceerde KBC interessante cijfers: tegen 2040 zouden er nog maar 10.000 professionele landbouwbedrijven overblijven in Vlaanderen. Nog opvallender is dat 20 procent van die bedrijven goed zou zijn voor 80 procent van de sectoromzet. Dat roept ook vragen op over toekomstige financiering.
Volgens Relaes is het tijd om na te denken over andere bedrijfsmodellen in de landbouw. “Die evolutie zie je ook in andere sectoren. Bakkers, fietsenwinkels, garagisten, apothekers en zelfs begrafenisondernemers zijn geëvolueerd naar kleine kmo’s, vaak met meerdere vestigingen en administratieve ondersteuning.” Een gelijkaardige evolutie zag je al bij huisartsen. “Vroeger nam de partner van de arts vaak de administratie en planning op zich. Vandaag werken artsen in groepspraktijken met administratieve krachten, zodat ze werk en privé beter kunnen combineren”, aldus Relaes.
Naar professioneel geleide agro-kmo's?
Volgens hem ligt daar ook een mogelijke toekomst voor de landbouw: professioneel geleide agro-kmo’s waarin bedrijven samenwerken, taken centraliseren of meerdere vestigingen hebben. De stikstofmaatregelen versnellen die evolutie bovendien. “Ik besef dat het moeilijk is om afstand te nemen van een model dat decennialang centraal stond in de Vlaamse landbouw. Voor veel landbouwers is dit een emotioneel en pijnlijk proces, omdat het gaat om een identiteit die generaties lang is doorgegeven.”
Toch vindt Relaes het belangrijk om te onderzoeken hoe de voordelen van gezinslandbouw gecombineerd kunnen worden met nieuwe bedrijfsmodellen die de nadelen opvangen. “Vandaag is deze transitie al volop aan de gang, maar omdat het zo emotioneel geladen is, kijken we er met zijn allen voor een groot stuk van weg”, stelt hij vast. Relaes geeft toe dat ook in het onderzoek het gezinsbedrijf tot voor kort vaak als uitgangspunt wordt genomen. “Maar daar willen we verandering in brengen. In 2026 start een onderzoek naar ‘farm governance’ om te kijken welke andere bedrijfsmodellen er nog mogelijk zijn in de landbouw”, klinkt het.
In het kader van dat onderzoek doet ILVO een oproep naar de brede landbouwsector om hun ervaringen te delen over andere bedrijfsmodellen of bepaalde vormen van samenwerking. Dat kan dan gebruikt worden als input voor het onderzoek.