Slachthuizen willen elektronische oormerken als alternatief voor omstreden klophamer
nieuwsDe slachthuizen zijn vragende partij om de identificatie van varkens op een andere manier aan te pakken dan de huidige praktijk met de klophamer. “Met de technologie van vandaag moet het mogelijk zijn om over te stappen naar elektronische oormerken. Die klophamer is een archaïsche praktijk die moet stoppen”, zegt Michael Gore, gedelegeerd bestuurder van FEBEV. Hij pleit ervoor om dit debat binnen de keten op te nemen.
Beelden van Animal Rights
Gore doet zijn oproep naar aanleiding van een filmpje dat dierenrechtenorganisatie Animal Rights via sociale media de wereld instuurde. Daarop is te zien hoe varkens die op transport richting slachthuis worden gezet een slag krijgen met een klophamer. Dat is een soort stempel met pinnetjes die tegen de bil wordt geslagen van een varken. De stempel bevat de unieke beslagcode van het varkensbedrijf waar het vertrekt. Die pinnetjes laten een patroon achter zodat het varken ten alle tijden getraceerd kan worden.
Animal Rights noemt die handelswijze “een marteling”. Ann Heylens van het Departement Dierenwelzijn laat weten dat het wettelijk toegestaan is om de klophamer te gebruiken ter identificatie van de dieren die naar het slachthuis worden gebracht. “Al is het gebruik ervan wel strikt gereglementeerd”, stelt Heylens. Ze wijst erop dat er controle op gebeurt door de dierenartsen met opdracht in het slachthuis.
Verplicht bij wet
“Het is niet alleen toegestaan, de wet verplicht de transporteur zelfs om dit te doen. Er worden boetes gegeven als de stempel niet goed te zien is”, benadrukt Michael Gore. Toch is ook hij van mening dat deze praktijk niet meer van deze tijd is. “Anno 2026 zijn er andere technische oplossingen, zoals elektronische oormerken, die traceerbaarheid kunnen garanderen. De slachthuizen zijn alvast vragende partij. In feite zitten we hier op dezelfde lijn als Animal Rights.”
FEBEV wil de discussie aanvatten met de betrokken overheidsdiensten, want dit vraagt een aanpassing van de wet, en met de rest van de keten. “In de tien jaar dat ik voor de slachthuissector werk, is dit nog niet op de tafel van het ketenoverleg gekomen. Ik denk dat we van dit momentum gebruik moeten maken om door te pakken. Want op vlak van dierenwelzijn zou het overstappen naar elektronische oormerken zeker een stap vooruit zijn”, meent Gore.
Lopend proefproject
Hij verwijst daarbij naar een proefproject met elektronische oormerken dat momenteel loopt. Dat project, PigID genaamd, wordt getrokken door ILVO, PVL Bocholt en DGZ. Het loopt sinds juni 2023 en is afgerond in 2027. Traceerbaarheid is evenwel geen doel op zich in het project. “We willen via elektronische identificatie met oormerken in de eerste plaats op zoek gaan naar efficiëntieverbeteringen op bedrijfsniveau”, vertelt Sander Palmans, coördinator van het Proef- en Vormingscentrum voor de Landbouw (PVL) in Bocholt.
In de varkensstal van het PVL in Bocholt wordt al meer dan tien jaar met elektronische oormerken gewerkt. “Vanuit proefoogpunt is dat een meerwaarde om gegevens te verzamelen op dierniveau”, verduidelijkt Palmans die pioniersrol. In het begin was de werking van die oormerken nog zeer eenvoudig, maar intussen zijn die gekoppeld aan modules in managementsystemen die het mogelijk maken om al die data te verzamelen en te analyseren. “Bij ons project ligt de focus dan ook dataverzameling met oog op managementbeslissingen in de stal.”
Cameratoezicht moet wantoestanden in slachthuizen voorkomen
20 februari 2026Systeem nog niet sluitend
Toch kunnen de elektronische oormerken ook in het kader van traceerbaarheid een rol spelen, klinkt het. “In ons project gaan we ook de slachtdatum en het slachtgewicht in slachthuizen registreren”, aldus Palmans. Volgens hem was het geen sinecure om het systeem daar op poten te zetten. “In het slachthuis moeten lezers geplaatst worden die de chip in de oormerken kunnen uitlezen. Een eerder project in 2019 is nog helemaal de mist ingegaan omdat de elektronische lezer in het slachthuis de signalen niet kon capteren.”
Voor PigID wordt samengewerkt met slachthuis Comeco. Daar zijn acht oormerklezers geplaats rondom de slachtlijn. “We slagen er nu in om een uitleespercentage te behalen van 90 tot 95 procent. Dat is goed, maar zeker niet perfect. De vraag is hoe men daarmee gaat omgaan”, vertelt Palmans. De redenen waarom vijf tot tien procent niet geregistreerd geraakt, komt bijvoorbeeld door het verlies van oormerk of door de aanwezigheid van water of branders die de werking van de oormerken aantasten, of door de kwaliteit van de oormerken zelf. Ook de snelheid waarmee de dieren door de slachtlijn gaan, speelt een rol. Toch is Palmans ervan overtuigd dat het systeem nog meer sluitend te krijgen is.
Wie gaat dat betalen?
Een belangrijke vraag die volgens hem ook nog openblijft, is wie de kost van dit systeem gaat betalen. Er zijn twee soorten oormerken. De oormerken met ultrahoge frequentie zijn met 60 cent per stuk het goedkoopste, maar zij zijn veel gevoeliger voor vocht en metaal, en dat zijn natuurlijk zaken die in een slachthuis overvloedig aanwezig zijn. De oormerken met ultralage frequentie hebben dat nadeel niet, maar zijn dubbel zo duur dan de ultrahoge variant. “Als je weet dat er op een varkensbedrijf al gauw 7.000 tot 8.000 varkens per jaar naar het slachthuis vertrekken, dan loopt de kost wel op. Daarnaast moeten ook de slachthuizen investeringen doen in oormerklezers en de kans is groot dat ze die zullen doorrekenen aan de varkenshouders”, vreest Palmans.
Michael Gore van FEBEV vindt dat dergelijke zaken in de keten moeten besproken en gedragen worden. “De leden van FEBEV staan er in elk geval voor open om het gesprek aan te gaan. Door de klophamer te vervangen door elektronische oormerken kunnen we op vlak van dierenwelzijn een mooie stap vooruit zetten. Laat ons dit dan ook aanpakken”, luidt het. Gore is ervan overtuigd dat we ook veel kunnen leren van andere lidstaten. Zo is het gebruik van de klophamer in Nederland al verboden sinds 2024.