nieuws

Phytofar reageert op EASAC-rapport neonicotinoïden

nieuws
In een advies aan de Europese Commissie schrijft de European Academies Science Advisory Council (EASAC) dat er duidelijk wetenschappelijk bewijs is dat (de tijdelijk in Europa verboden) neonicotinoïden schadelijk zijn voor niet-doelsoorten zoals wilde bijen en vlinders. In een duiding bij het onderzoek benadrukt Phytofar, de Belgische vereniging van de gewasbeschermingsmiddelenindustrie, dat overheden bij de registratie van gewasbeschermingsmiddelen rekening houden met de vooruitgang in wetenschappelijke kennis en nieuwe studieresultaten die in tussentijd beschikbaar komen. Effecten op nuttige en niet-doel insecten, waaronder bijen en wilde bestuivers, worden hierbij beoordeeld door een uitgebreide risicoanalyse. Anders dan EASAC vindt Phytofar een zaadbehandeling met neonicotinoïden wél passen binnen het concept van geïntegreerde gewasbescherming.
15 april 2015  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:21

In een advies aan de Europese Commissie schrijft de European Academies Science Advisory Council (EASAC) dat er duidelijk wetenschappelijk bewijs is dat (de tijdelijk in Europa verboden) neonicotinoïden schadelijk zijn voor niet-doelsoorten zoals wilde bijen en vlinders. In een duiding bij het onderzoek benadrukt Phytofar, de Belgische vereniging van de gewasbeschermingsmiddelenindustrie, dat overheden bij de registratie van gewasbeschermingsmiddelen rekening houden met de vooruitgang in wetenschappelijke kennis en nieuwe studieresultaten die in tussentijd beschikbaar komen. Effecten op nuttige en niet-doel insecten, waaronder bijen en wilde bestuivers, worden hierbij beoordeeld door een uitgebreide risicoanalyse. Anders dan EASAC vindt Phytofar een zaadbehandeling met neonicotinoïden wél passen binnen het concept van geïntegreerde gewasbescherming.

In het onderzoek naar de vermeende schadelijkheid van neonicotinoïden ligt de focus vaak op honingbijen, maar de effecten op die niet-doelsoort zijn minder eenduidig en volgens EASAC geen goede graadmeter voor de impact van deze groep insecticiden op bestuiving in het algemeen. In hun advies aan de Europese Commissie lijken de nationale experten die zetelen in het Europese adviesorgaan overtuigd van de ernstige (sublethale) effecten van neonicotinoïden op niet-doelorganismen. Zowel gewervelden als insecten en andere ongewervelden voelen de schadelijke impact, ongeacht of ze nu leven in de velden of de perceelranden, de bodem of het oppervlaktewater.

EASAC vindt het preventief gebruik van neonicotinoïden via een zaadbehandeling in strijd met de principes van geïntegreerde gewasbescherming. Bovendien laat hun wijdverspreid gebruik weinig ruimte voor herstel van de biodiversiteit in landbouwgebied. De Belgische gewasbeschermingsmiddelenindustrie, vertegenwoordigd door Phytofar, erkent EASAC als een gerespecteerd adviesorgaan maar is op het een aantal punten toch niet eens met de bevindingen van de experten.

Zo vindt Phytofar een zaadbehandeling perfect passen binnen het concept van geïntegreerde gewasbescherming. “Zoals bij het preventief gebruik van geneesmiddelen, is het ook in de gewasbescherming soms nog noodzakelijk om preventief te handelen. Zaadbehandeling is een erg gerichte techniek, die het product daar brengt waar het zijn effect moet uitoefenen, namelijk op de wortel en nadien in de plant. Hierdoor wordt de plant gedurende een groot deel van de cyclus beschermd en worden door zaadbehandeling herhaaldelijke bladbespuitingen overbodig gemaakt.”

Verder lijkt de sectorvereniging te vertrouwen op het bestaande registratiesysteem van gewasbeschermingsmiddelen en geen redenen te zien voor extra ingrijpen van overheidswege. “Alle gewasbeschermingsmiddelen die op de markt verkocht worden, zijn grondig geëvalueerd door de registratie-overheden in de EU en in de lidstaten, rekening houdend met de staat van de wetenschap en de registratie-vereisten.” Effecten op nuttige en niet-doel insecten, waaronder bijen en wilde bestuivers, worden van nabij beoordeeld door een uitgebreide risicoanalyse. Middelen worden volgens Phytofar alleen toegelaten als de registratieoverheid beoordeelt dat ze veilig kunnen gebruikt worden ten overstaan van deze insecten.

De internationale instellingen passen de gegevensvereisten voor toelatingsdossiers ook geregeld structureel aan. Aangezien nieuwe of aangepaste spelregels extra proeven vergen die verschillende jaren kunnen duren, worden de nodige overgangsperiodes voorzien. De strengere normen worden dan opgelegd voor nieuwe dossiers of hernieuwingen. Alle gewasbeschermingsmiddelen worden na een periode van zeven tot tien jaar opnieuw geëvalueerd. Phytofar vindt in de EASAC-studie de uitgebreide data niet terug die in het kader van het EU-toelatingsproces beschikbaar zijn voor bijvoorbeeld niet-doelwit geleedpotigen zoals insecten. “Ofwel zijn de makers van het rapport zich hier niet ten volle van bewust ofwel viel het buiten hun mandaat”, vermoedt Phytofar. “De zeer uitgebreide studies op vlak van ecotoxicologie in het kader van een toelatingsaanvraag zijn ook af te leiden uit een gemiddeld kostenplaatje van 30 miljoen dollar per actieve stof voor milieustudies. Zij worden uitgevoerd op basis van internationaal aanvaarde methodes en door officieel gecertificeerde laboratoria.”

Het geciteerde wetenschappelijk onderzoek in het EASAC-rapport is hoofdzakelijk gebaseerd op laboanalyses en “correlaties”. Phytofar ziet geen degelijk bewijs van een oorzakelijk verband tussen biodiversiteit en neonicotinoïden en de evaluaties in het rapport geven volgens de vereniging weinig gewicht aan veldstudies. De sectorvereniging laat ook niet na te vermelden dat een aantal van de geciteerde onderzoeken internationaal ter discussie staan omdat de uitvoerders het verbannen van neonicotinoïden op voorhand al voor ogen hadden.

Tot slot legt Phytofar uit dat 7,5 miljard mensen voeden met vier procent van de aardoppervlakte in het veld inderdaad ten koste gaat van een stuk biodiversiteit. “Om op een beperkte oppervlakte efficiënt gebruik te maken van energie, land, water en plantenvoedingsstoffen voor de productie van onze voeding, moet de concurrentie van onkruiden, schimmels en schadelijke insecten zoveel mogelijk beperkt worden.” Met goede (duurzame) landbouwpraktijken heeft de sector ook op dit vlak al grote vooruitgang geboekt. Daarbovenop komen volgens Phytofar nog de inspanningen van de landbouwsector om biodiversiteit in het landelijk gebied actief te ondersteunen.

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek