Is gangbare en biologische visie op bodem verschillend?
nieuwsDe eerste van drie debatavonden van Jeugdhuis ’t Paenhuys in Hoegaarden sneed met het thema bodem iets heel essentieel aan als het over landbouw gaat. Terwijl de gangbare landbouw de bodem benadert als een atleet die topprestaties moet leveren, werkt biolandbouw aan een bodem in balans. Niet de planten maar de bodem moet je voeden, getuigt bioboer Tom Troonbeeckx die daarin gesterkt werd door de documentaire ‘Bodemboeren’. “Als je de bodem verarmt door topopbrengsten van het veld te halen, dan moet je ook iets teruggeven” , zo luidt de visie van gangbare akkerbouwer Michel Hendrickx. Geen gemakkelijke opdracht, zo ervaart hij zelf, want de beschikbaarheid van stalmest en compost is een probleem en de mestwetgeving stuurt richting kunstmest.
Een eerste debatavond over landbouw in Jeugdhuis ’t Paenhuys in Hoegaarden belooft veel goeds voor het dubbele vervolg dat er op 2 en 9 december nog zit aan te komen. Alvorens het te hebben over de prijs van ons voedsel en vrijuit na te denken over wat er op ons bord ligt in 2030 werd het thema bodem belicht. Als opwarmer keek het publiek naar de Nederlandse documentaire ‘Bodemboeren’. Door mechanisering en intensivering zijn landbouwers steeds verder af komen te staan van de bodem. Uiteraard willen ze allemaal de bodemvruchtbaarheid in stand houden maar in de praktijk krijgt de winst op korte termijn soms voorrang op het behoud van een gezonde bodem op lange termijn.
Nederlandse landbouwers getuigen in de documentaire over het gebruik van compost. Het bodemleven opkrikken, is een werk van lange adem zodat planten de eerste jaren na de omschakeling van gangbare naar biologische landbouw zichtbaar stikstof tekortkomen. Door consequent compost op basis van eigen stalmest te blijven toedienen, zag de melkveehouder uit het filmpje zijn grasopbrengst weer stijgen. Eerst was nog 20 ton compost per hectare nodig, maar tien jaar na de omschakeling volstond op een vruchtbaar gras-klaverperceel 10 ton compost. Dat toont aan hoe profijtelijk het is om de bodem te voeden en de lange termijn voor ogen te houden.
Een collega-melkveehouder liet zijn stalkeuze beïnvloeden door de voorliefde voor organische mest. In een bijzondere ‘heuvelstal’ wordt in het midden een ronde strobaal afgerold. Wanneer het stro vervuild wordt met mest, dan zakt het automatisch naar de lager gelegen zijkanten van de stal wanneer de koeien er over stappen. Terwijl een reguliere melkveestal vooral veel drijfmest genereert, produceert bovenstaande melkveehouder massa’s waardevolle stalmest.
Met biologisch akkerbouwer Kees Steendijk zien we in het filmpje een oude bekende opduiken. Steendijk reisde twee jaar geleden naar Brussel om daar te vertellen hoe hij met amper 40 kilo zaaizaad, vijf keer minder dan gebruikelijk, ruim negen ton biologische tarwe oogst. In ‘Bodemboeren’ vertelt Steendijk dat hij gestopt is met ploegen omdat de ploegzool de insijpeling van regenwater bemoeilijkt. In droge perioden is er op een geploegd perceel ook minder bodemvocht dat stijgt (capillaire werking) en beschikbaar wordt voor de planten.
Steendijk zweert bij het rijpadensysteem en bouwde daarvoor zelfs een oude maaidorser om naar drie meter spoorbreedte. In ‘Bodemboeren’ zijn de aanhangers van het rijpadensysteem met twee. Een collega-akkerbouwer met biodynamische aanpak legt uit dat bij een rijpadensysteem vijf procent van een veld uit productie wordt genomen om op de 95 procent die niet bereden wordt een veel hogere opbrengst te realiseren. Alle landbouwers die opgevoerd worden door de Nederlandse documentairemakers hebben met elkaar gemeen dat ze in hun productiesysteem de natuur zo goed mogelijk nabootsen.
In het panelgesprek dat volgde op de film maakte Michel Hendrickx, een akkerbouwer uit Hoegaarden, duidelijk dat de bodem het hoogste goed is op zijn bedrijf. Zijn credo is dat landbouwers het maximale uit hun grond moeten halen gelet op de stijgende wereldbevolking die gevoed moet worden. Hij ziet dat als de enige manier om te vermijden dat bossen in de toekomst in cultuur gebracht moeten worden.
Op het eigen bedrijf constateert Hendrickx dat de graan- en andere opbrengsten jaar na jaar stijgen, waarin hij een bewijs ziet voor de ‘topconditie’ van zijn landbouwbodems. Om zijn percelen zo vruchtbaar te houden, bemest hij zoveel hij kan met stalmest. Helaas voor Hendrickx is stalmest amper beschikbaar in een regio met vooral akkerbouw. De meeste rundveehouders hebben zelf grond genoeg zodat ze weinig of geen stalmest afvoeren. Ook bij compost ervaart Hendrickx dat de beschikbaarheid ervan een probleem is. “Kunstmest hoort er dus bij en heeft als voordeel dat de stikstof snel vrijkomt. Het risico op nitraatuitspoeling is dus kleiner”, zegt de akkerbouwer.
Voor Tom Troonbeeckx hoort kunstmest er niet bij omdat hij groenten produceert volgens het biologisch lastenboek. Van het maximale uit de grond halen, wil hij niet weten. Voor de wereldwijde voedselvoorziening is dat volgens de bioboer niet nodig omdat er geen probleem van voedselproductie maar van -verdeling is. De bodem in topconditie waarnaar de gangbare akkerbouwer verwees, is niet hetzelfde als de bodem in balans die Troonbeeckx nastreeft. Hij vergelijkt met sport om dat duidelijk te maken: “Atleten zijn niet de gezondste mensen. Ze lopen de snelste sprint maar zij blijven niet het langste lopen.”
De natuur zijn werk laten doen en de bodem voeden in de wetenschap dat het met het gewas dan ook goed komt, kennen we al uit de documentaire. Ook Tom ervoer dat het minstens vijf jaar duurt om het bodemleven op een gangbaar perceel in omschakeling ‘op gang te trekken’. Dat de gangbare landbouw de bodem zou uitputten door maximale opbrengsten na te streven, laat Annie Demeyere van het Departement Landbouw en Visserij niet zomaar zeggen. “Ook in de gangbare landbouw draait het om behoud van bodemvruchtbaarheid en niet om het ‘uitmijnen’ van de bodem. De graanopbrengsten die gestegen zijn van zeven naar tien ton zijn vooral een gevolg van betere variëteiten, niet van intensiever telen. Integendeel zelfs, voor zeven ton opbrengst werd de tarwe in de jaren ’80 viermaal gespoten en met 250 eenheden stikstof gevoed. Nu doet niemand dat nog.”
Nog volgens Demeyere stuurt het beleid, zowel Europa als Vlaanderen, landbouwers in de richting van meer organische stof in de bodem. Onmiddellijk resultaat mag je daar niet van verwachten. “Koolstof opslaan in de bodem is een werk van lange adem. Voor snel resultaat heb je grote hoeveelheden compost en stalmest nodig. Door de verstrengde bemestingsnormen uit het vijfde mestactieplan is dat wettelijk zelfs niet mogelijk.”
Troonbeeckx is van mening dat de trend van specialisatie op gangbare landbouwbedrijven geen goed heeft gedaan aan de bodemvruchtbaarheid. Een gemengd bedrijf is het ideaal. “Als een akkerbouwer samenwerkt met een naburig veebedrijf, dan moet je dat ook als gemengde landbouw zien”, zo betoogt Hendrickx in de wetenschap dat een goede akkerbouwer daarom nog geen geschikte veehouder is en omgekeerd. Wat dat betreft zit hij goed in Vlaanderen want het landbouwbeleid wordt hier uitgetekend met de gedachte dat elke landbouwer moet doen wat hij graag doet – bio of gangbaar, akkerbouw of veeteelt – én waarmee hij zijn boterham kan verdienen.
Beeld: Yennef Vereycken