EU realiseert politiek akkoord over zijn landbouwbeleid
nieuwsNa bijna twee jaar onderhandelen over de hervorming van het Europees landbouwbeleid is de kogel door de kerk. "Het politiek akkoord tussen Commissie, Raad en Parlement maakt landbouwsteun eerlijker en groener en het landbouwbeleid efficiënter en transparanter", reageert EU-commissaris Dacian Ciolos. De Vlaamse landbouwadministratie doet de verschillende elementen van de hervorming uit de doeken.
Het wetgevend voorstel van de Europese Commissie voor de hervorming van het gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) dateerde van 12 oktober 2011. Deze hervorming drong zich op omdat de marktomstandigheden aanzienlijk gewijzigd zijn door de grotere prijsvolatiliteit van landbouwproducten. Ook is het GLB momenteel niet meer op maat van een Europa met 27 lidstaten gesneden. Bovendien dient ook de landbouwsector actief bij te dragen aan de EU2020-doelstellingen.
Na de publicatie van de voorstellen gingen de besprekingen op technisch en politiek niveau van start in de Raad van Europese landbouwministers en in het Europees Parlement. Anderhalf jaar lang werden er binnen de Landbouwraad politieke discussies gevoerd om tot een gemeenschappelijk standpunt te komen. Vanuit Vlaanderen werd ingezet op het versoepelen van de voorstellen van de Europese Commissie teneinde ook in Vlaanderen de concurrentiekracht van de landbouwbedrijven te verhogen en hen een duurzaam toekomstperspectief te kunnen bieden.
Dinsdag werd op de Landbouwraad in Luxemburg al grotendeels toegewerkt naar een akkoord en werd de positie van de Raad opnieuw vastgesteld met het oog op een globaal akkoord. Dat werd na een laatste overleg met de Europese Commissie en het Europees Parlement op 26 juni in Brussel bereikt. Het nieuwe GLB zal gedeeltelijk in 2014 en gedeeltelijk in 2015 in werking treden.
Wat staat de Vlaamse land- en tuinbouwers nu precies te wachten tussen 2014 en 2020? Het Beleidsdomein Landbouw en Visserij schept daarover meer duidelijkheid door in een overzichtdocument het eindakkoord - en de accenten die Vlaanderen tijdens de onderhandelingen legde - toe te lichten.
Vandaag varieert de hoogte van de inkomenssteun aan landbouwers zeer sterk tussen lidstaten en tussen landbouwers binnen een lidstaat. De Europese Commissie stelde daarom voor om de inkomenssteun meer gelijk, meer gericht en eenvoudiger in te zetten. Raad en Parlement schroefden het voorstel wat terug om de rendabiliteit van de bedrijven die steun verliezen niet in gevaar te brengen.
Finaal is afgesproken dat tegen 2019 alle landbouwers minimaal 60 procent van het regionaal of nationaal gemiddelde betaalrecht per hectare dienen te ontvangen. Lidstaten of regio’s kunnen uit verschillend modellen kiezen om deze interne convergentie te realiseren. Naast landbouwers die directe steun zullen verliezen, zijn er ook heel wat landbouwers die zullen winnen in het nieuwe systeem. "Vooral zij die over meer grond dan toeslagrechten beschikken", verduidelijkt de landbouwadministratie. Ook krijgen lidstaten de mogelijkheid om kleinschalige landbouwbedrijven sterker te ondersteunen met hogere toeslagrechten op de 'eerste hectaren' van het bedrijfsareaal.
De Europese Commissie verbond aan 30 procent van de directe inkomenssteun de voorwaarde om drie 'vergroeningsvoorwaarden' te respecteren: een voldoende grote teeltdiversificatie op het bedrijf, het behoud van het areaal permanent grasland en het instandhouden en/of aanleggen van ecologisch focusgebied. Raad en Parlement konden zich vinden in het principe van vergroening, maar eisten soepelere voorwaarden. "Beter een realistische vergroening waarbij de ambities iets lager liggen dan helemaal geen vergroening", was het uitgangspunt van Vlaams minister-president Kris Peeters.
In het politiek akkoord blijven de drie vergroeningseisen behouden, maar kunnen ze flexibeler ingevuld worden. Bestaande inspanningen zoals groenbedekking, agromilieumaatregelen, … kunnen worden gevaloriseerd. Daarnaast is ook het voorstel van Vlaanderen weerhouden om de vergroening ook gedeeltelijk via samenwerking tussen landbouwers te mogen realiseren.
In de toekomst worden lidstaten verplicht om jonge landbouwers financieel extra te ondersteunen met een toeslag van 25 procent op de inkomenssteun in de eerste vijf jaar van vestiging. Dit komt bovenop de bestaande vestigingssteun voor jonge landbouwers uit de tweede pijler van het landbouwbeleid (plattelandsbeleid).
Als reactie op de kritiek dat de steun soms niet bij "echte" landbouwers terechtkomt, stelde de Europese Commissie een definitie op voor het begrip 'actieve landbouwer'. Het uiteindelijke politieke compromis over de 'actieve landbouwer' houdt rekening met alle praktische en juridische bezwaren. Alle lidstaten moeten verplicht een aantal 'nepboeren' zoals luchthavens uitsluiten als begunstigden van landbouwsubsidies. Lidstaten of regio's die dit wensen kunnen hier vrijwillig verder in gaan zolang deze keuze op basis van niet-discriminerende en objectieve criteria gebeurt.
In regio's met een 'natuurlijke handicap' om aan landbouw te doen, zullen de boeren extra steun kunnen genieten. Gekoppelde steun, bijvoorbeeld voor vleesveehouderij, blijft ook in de toekomst mogelijk. Twee procent gekoppelde steun wordt gereserveerd ter promotie van de teelt van eiwitrijke gewassen. Dat moet de veehouderij in Europa minder afhankelijk maken van de import van soja.
Het voorstel van de Commissie om de suikerquota volledig af te schaffen in 2015 heeft de lidstaten lange tijd verdeeld. Uiteindelijk is nu besloten dat de suikerquota vanaf oktober 2017 verdwijnen. De referentieprijs voor suiker en het systeem van interprofessioneel onderhandelen met bijhorende aankoopvoorwaarden blijft wel integraal overeind nadien.
Eén van de grote uitgangspunten van de Commissie bij deze hervorming was een verdere liberalisering van de landbouwsector. Net daarom wordt een goede ketenwerking en sterkere onderhandelingspositie van de primaire producenten essentieel. In de toekomst wordt het door de erkenningen van producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties mogelijk voor landbouwers om binnen alle sectoren een betere marktpositie te bemachtigen via collectieve onderhandeling. Ook wordt samenwerking doorheen gans de keten (productie, verwerking, handel) gestimuleerd door het erkennen van brancheorganisaties.
Het politieke akkoord bestaat erin dat de producenten over zuivel, suiker, granen, rundvlees, kalfsvlees en olijfolie collectief mogen onderhandelen over prijs en volume. De andere sectoren mogen ook collectief samenwerken via producenten- en branche-organisaties maar ze mogen niet collectief over prijzen onderhandelen.
De referentieprijzen die een belangrijke invloed hebben op de hoogte van de interventieprijzen voor granen en andere landbouwproducten zijn al jaar en dag ongewijzigd. Deze prijzen worden nooit geïndexeerd, waardoor het vangnet in een wereld van stijgende productiekosten en inflatie in reële termen steeds wordt verlaagd. Daarom werd vanuit een aantal lidstaten binnen de Raad, waaronder België, en het Europees Parlement aangedrongen op een aanpassing van de referentieprijzen. Die zou rekening moeten houden met de effectieve productiekosten. Voorlopig gebeurt die aanpassing niet.
De zogenaamde tweede pijler van het GLB, plattelandsontwikkeling, kreeg ook een grondige make-over. Zo wordt afgestapt van het systeem met assen en een verplichte minimumbesteding per as. Toch blijft 'ringfencing' een feit: verplicht vijf procent van het budget moet naar Leader-werking gaan. Ook is het verplicht om in elk programma agromilieu-klimaatmaatregelen aan te bieden. Voorts dient in alle programma’s minstens 30 procent van de ELFPO-middelen ingezet te worden voor maatregelen inzake leefmilieu en klimaat. Deze middelen mogen besteed worden aan agromilieumaatregelen, biologische landbouw én investeringssteun gericht op leefmilieu- en klimaatacties.
Voor agromilieu-klimaatmaatregelen is de grootste nieuwigheid de link met vergroening. De Commissie is van oordeel dat de agromilieumaatregel verder moet gaan dan de vergroening en enkel een vergoeding kan gegeven worden voor extra inspanningen bovenop de relevante vergroeningsvoorwaarden. Een groot pijnpunt binnen plattelandsontwikkeling blijft de grote administratieve last. De Raad heeft hier al heel wat aan kunnen verbeteren, maar het blijft een vrij log instrument.
Het politieke akkoord moet nog formeel bekrachtigd worden door Commissie, Raad en Parlement. De verwachting is dat dit geen problemen zal opleveren omdat de onderhandelaars een akkoord hebben bereikt dat binnen de krijtlijnen ligt van het mandaat dat zij hadden meegekregen. De komende maanden wordt alles definitief vastgelegd door publicatie van de wetgevende teksten in het Europees Publicatieblad, na controle op juridisch, technisch en taalkundig vlak.
Een aantal elementen van het akkoord dienen nog verder verankerd te worden in de zogenaamde uitvoeringsbepalingen, deze worden verwacht tegen het najaar. De bepalingen inzake directe inkomenssteun zullen op 1 januari 2015 in werking treden, de andere bepalingen op 1 januari 2014. Minister-president Kris Peeters zal nu in overleg gaan met de Vlaamse belanghebbenden om de toepassing van het hervormde GLB in Vlaanderen voor te bereiden.
Meer info: Political agreement on the CAP reform & Achtergrondinfo verstrekt door Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Bron: Nieuwsflash Landbouw en Visserij / eigen verslag