EU-producentenorganisaties in groenten en fruit staan zwak tegenover supermarkten, België valt positief op
nieuwsHoewel EU-financiering producentenorganisaties in de groenten- en fruitsector helpt concurrerender te worden, blijven ze vaak zwak staan tegenover supermarkten. Dat blijkt uit een nieuw verslag van de Europese Rekenkamer (ERK). België neemt echter een uitzonderlijke positie in binnen de EU door het grote economische belang van zijn producentenorganisaties. De vier grootste Belgische organisaties brengen samen bijna twee derde van de nationale groenten- en fruitproductie op de markt.
Producentenorganisaties helpen landbouwers om gezamenlijk het hoofd te bieden aan heel wat uitdagingen zoals de economische druk. Door zich te verenigen, kunnen landbouwers samen hun producten verkopen, investeren in apparatuur en infrastructuur, de productkwaliteit verbeteren en betere voorwaarden onderhandelen bij kopers.
Als producentenorganisaties aan bepaalde criteria voldoen en door hun land zijn erkend, kunnen ze ook EU-steun ontvangen. "Met deze steun wil de EU het concurrentievermogen van producenten verbeteren en hun marktpositie versterken. Dat betekent concreet een sterkere onderhandelingspositie en een hogere winstgevendheid, onder meer door lagere productiekosten en een hogere omzet", verduidelijkt de Rekenkamer in het auditrapport.
In 2023 ontvingen producentenorganisaties van groenten- en fruittelers 1,06 miljard euro aan EU-steun. Dit geld werd gebruikt voor het moderniseren van apparatuur, het automatiseren van de productie, het besparen van energie en water, het verkrijgen van kwaliteitscertificaten, het verbeteren van verpakking en logistiek en het ontwikkelen van door consumenten erkende kwaliteitslabels.
Aangezien de EU-steun gekoppeld is aan de waarde van de op de markt gebrachte productie, wordt een hogere omzet beloond met meer steun, waardoor ondersteunde organisaties zo worden gestimuleerd om hun omzet te verhogen. “Maar ondanks de voordelen van een lidmaatschap bij een producentenorganisatie en de EU-subsidies daalt het aantal leden in de hele EU en bevinden producenten zich nog steeds in een zwakke positie ten opzichte van grote detailhandelaren”, concludeert de Rekenkamer.
Met uitzondering van België en Nederland hebben maar weinig lidstaten producentenorganisaties die groot of bekend genoeg zijn om vanuit een sterke positie onderhandelingen aan te gaan
Niet groot genoeg
De audit stelde vast dat de Europese steun gebruikt wordt om succesvol de kosten te verlagen en omzet te verhogen, maar dat de producentenorganisaties niet groot of bekend genoeg zijn om vanuit een sterke positie te onderhandelen. “Van de organisaties die we hebben bezocht, waren degenen die een betere onderhandelingspositie hadden ten opzichte van detailhandelaren ofwel groter (wat betreft omzet), konden ze een breed assortiment aanbieden, of verkochten ze hun producten onder een bekend merk”, klinkt het. “In de praktijk zijn er maar weinig organisaties die groot genoeg zijn om dergelijke strategieën uit te voeren of die voldoende merkbekendheid hebben opgebouwd om hun positie in commerciële onderhandelingen aanzienlijk te verbeteren.” België en Nederland blijken volgens de auditeurs de enige landen waar dergelijke organisaties een zodanig economisch belang hebben, dat ze sterk commerciële onderhandelingen aan kunnen gaan.
Uitzonderlijke positie voor België
De auditeurs stellen grote verschillen vast in het landschap van producentenorganisaties in de EU. Niet alleen het aantal organisaties verschilt sterk van lidstaat tot lidstaat, maar ook hun omvang en het aandeel van de productie dat de grootste organisaties op de markt brengen.
België neemt volgens de audit samen met Nederland een uitzonderlijke positie in doordat we een relatief grote groenten- en fruitproductie combineren met een sterk geconcentreerd aanbod. De vier grootste Belgische producentenorganisaties brengen samen 63 procent van de nationale productie op de markt, die in totaal 1,9 miljard euro waard is. Denemarken heeft een nog grotere geconcentreerdere markt (86%), maar daar is de sector met een productiewaarde van 0,3 miljard euro veel kleiner. De grote groenten- en fruitproductielanden Spanje en Italië produceren met respectievelijk 16,7 en 15,2 miljard euro dan weer aanzienlijk meer, maar hun vier grootste producentenorganisaties vertegenwoordigen slechts vijf en 13 procent van de nationale productie.
Organisaties worden steeds minder aantrekkelijk
Een factor die de omvang van producentenorganisaties beperkt, is het dalende ledenaantal. In 2012 telden de producentenorganisaties samen 312.823 leden, tegenover 191.310 in 2023. Die daling is deels te verklaren door de afname van het aantal landbouwbedrijven en het tekort aan nieuwe landbouwers. Dat verklaart echter niet alles, want het aantal leden van producentenorganisaties daalde veel sneller dan het aantal landbouwbedrijven.
De populariteit van producentenorganisaties verschilt ook erg per land. Zo telde Spanje 513 organisaties, Frankrijk 195 en Nederland en België respectievelijk maar negen en 14. De verschillen in populariteit kunnen volgens de audit deels worden verklaard door culturele of historische factoren, zoals een sterke traditie van samenwerking of negatieve ervaringen met eerdere initiatieven. Daarnaast spelen ook nationale beleidskeuzes een rol. Zo worden sommige organisaties actief bijgestaan door de overheid en staan een breed aanbod aan gefinancierde acties toe.
Noch de lidstaten, noch de Commissie doen genoeg om het lidmaatschap van producentenorganisaties aantrekkelijk te maken
EU en lidstaten ondernemen te weinig actie
Volgens de auditeurs zijn het dalende ledenaantal en het beperkte concurrentievermogen ook het gevolg van te weinig actie om de uitdagingen aan te pakken die de Europese Commissie eigenlijk al voor de audit van de Europese Rekenkamer zelf had vastgesteld.
“Zowel in het GLB 2023-2027 als in de vereenvoudigingspakketten bleven ingrijpende wijzigingen uit", klinkt het. "In juli 2025 heeft de Commissie een voorstel ingediend om de positie van landbouwers in de voedselvoorzieningsketen te versterken, maar naar onze mening is het onwaarschijnlijk dat dit de aantrekkelijkheid van aansluiting bij een producentenorganisatie aanzienlijk zal vergroten.
“Hoewel de Commissie van mening is dat het haar taak is om producentenorganisaties te bevorderen en te versterken, heeft zij noch aangegeven welke maatregelen nodig zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken, noch bepaald of deze in alle lidstaten hetzelfde moeten zijn, noch voorgesteld hoe het succes daarvan moet worden gemeten", luidt het streng.
Ook de lidstaten doen volgens de auditeurs te weinig om het lidmaatschap van producentenorganisaties aantrekkelijker en sterker te maken. Zo kregen ze in 2013 de vrijheid om zelf minimale erkenningscriteria voor producentenorganisaties vast te leggen. Volgens de auditeurs maken echter te weinig lidstaten gebruik van die mogelijkheid om fusies tussen producentenorganisaties aan te moedigen.
Om het tij te keren raadt de Rekenkamer aan dat de Commissie de lidstaten warm maakt om het lidmaatschap aantrekkelijker te maken. “Ook moeten de regels eenvoudiger worden en de nationale steun consistenter”, concludeert Keit Pentus-Rosimannus uit Estland, hoofd van de audit.