header.home link

Eos onderzoekt verband tussen veeteelt en pandemieën

5 juni 2020
“Maakt de geïndustrialiseerde veeteelt Europa kwetsbaar voor nieuwe pandemieën, of moeten we ons in de toekomst juist meer als varkens gaan gedragen?”, met die vraag trok Eos op onderzoek uit. “Onderzoek naar complexe virussen gebeurt bij dieren al tien jaar. Op het vlak van diagnostiek staan we met diergeneeskunde zeker op een hoger niveau”, zegt UGent-professor Hans Nauwynck. Ook andere experts erkennen dat de verspreiding van ziektes snel gaat in grote stallen waar dieren kort op elkaar zitten, maar mensen kunnen zeker nog iets bijleren over de bioveiligheidsregels die veehouders in acht nemen.

“Maakt de geïndustrialiseerde veeteelt Europa kwetsbaar voor nieuwe pandemieën, of moeten we ons in de toekomst juist meer als varkens gaan gedragen?”, met die vraag trok Eos op onderzoek uit. “Onderzoek naar complexe virussen gebeurt bij dieren al tien jaar. Op het vlak van diagnostiek staan we met diergeneeskunde zeker op een hoger niveau”, zegt UGent-professor Hans Nauwynck. Ook andere experts erkennen dat de verspreiding van ziektes snel gaat in grote stallen waar dieren kort op elkaar zitten, maar mensen kunnen zeker nog iets bijleren over de bioveiligheidsregels die veehouders in acht nemen.

Het coronavirus heeft aangetoond dat infectieziekten steeds vaker overspringen van andere dieren op de mens. De kans is groot dat de volgende pandemie opnieuw een zoönose is die opduikt in een gebied waar het contact tussen mensen en natuur onder druk staat. Eos verwijst daarbij naar kaarten die wetenschappers in 2017 in Nature publiceerden. Deze kaarten tonen de gebieden waar de kans het grootst is dat er een nieuwe ziekte ontstaat. Volgens die kaarten is de kans groot dat dit gebeurt in Oost-Azië en India, maar ook in delen van België, Nederland en Duitsland is er een verhoogd risico.

Als belangrijkste risicofactoren wijzen experts steevast de intensieve veeteelt en de hoge bevolkingsdichtheid in Europa aan als belangrijke risicofactoren. Nadat GAIA eerder al insinueerde dat de industriële veehouderij mee aan de basis ligt van de verspreiding van virussen, gaan er dus meer stemmen op in die richting. Wetenschapsmagazine Eos trok daarom op onderzoek.

De Nederlandse viroloog Peter Rottiers stelt dat virussen welig tieren in onze stallen. “Hoe meer dieren op een kleine oppervlakte bij elkaar worden gehouden, hoe makkelijker virussen kunnen circuleren en hoe groter de kans dat er vroeg of laat eentje overspringt naar mensen. In dat opzicht is de intensieve veehouderij een risico voor de volksgezondheid”, stelt hij. Dat zou vooral opgaan voor ziektekiemen die zich via de lucht verspreiden.

Moeten we dieren dan gewoon houden op kleinere bedrijven als grootschalige landbouw zo veel risico inhoudt? Volgens experts is het verband echter niet zo eenvoudig. “Op grote bedrijven is er inderdaad een groter risico, maar vaak hebben die meer bioveiligheid”, zegt professor Wim van der Poel die aan de Wageningen Universiteit onderzoek doet naar van dier op mens overdraagbare virussen. Bioveiligheid sluit ziektekiemen buiten en damt aandoeningen in wanneer ze alsnog doordringen. Praktisch gaat het bijvoorbeeld om vaccinatie, hygiëne en screening. “Ook plaatsen veehouders nieuwe dieren in quarantaine en scheiden ze verschillende leeftijdsgroepen. Allemaal maatregelen die ons sinds het coronavirus vertrouwd in de oren klinken”, stelt hij.

Van der Poel verwijst in dat kader naar het ‘backyard farming’ dat nog vaak voorkomt in Oost-Europa. “Daar is de verspreiding van de Afrikaanse varkenspest veel groter dan bij ons omdat de varkens makkelijker in contact komen met wilde zwijnen. In België is er een uitbraak geweest bij everzwijnen, maar alle varkenshouderijen bleven gevrijwaard.” In dat opzicht botst ook de vrije uitloop van dieren met het risico op ziekteoverdracht. “Voor vrij en gezond vee in de buitenlucht moeten ook de wilde dierenpopulaties nauwkeurig worden opgevolgd. Dat betekent dat we onze controleprogramma’s daarop moeten afstemmen”, klinkt het.

De sterke samenhang tussen de gezondheid van mens, dier en leefmilieu, leidde tot het ontstaan van One Health, het principe waarbij experts uit de medische wereld samenwerken met deskundigen in diergezondheid en met ecologen. Dat gebeurt internationaal op allerlei manieren, al lijkt de ondervertegenwoordiging van natuurdeskundigen een constante.

Volgens Hans Nauwynck, hoofd van het virologielab aan de faculteit Diergeneeskunde van de UGent, overlegt de medische wereld ook in België geregeld met de diergeneeskunde. “De samenwerking is goed, maar ik vind dat we nog een stap verder moeten gaan. We moeten nog beter analyseren welke virussen en bacteriën er circuleren bij mensen en dieren, zodat we kunnen voorspellen hoe een uitbraak verloopt. Daarnaast is het opmerkelijk dat er voor het wild nauwelijks coördinatie is. Ook dat is een belangrijk werkpunt.”

Maar het grootste risico op besmetting komt van contact met ander vee, en niet van wild, zo benadrukt professor van der Poel. “Het transport van levende dieren draagt bij tot de verspreiding van een ziekte. Het zou beter zijn dat dieren geslacht worden op de plek waar ze geproduceerd worden, maar de Europese Unie is een vrijhandelszone dus daar kan je weinig aan veranderen.” Ook de aankoop en verkoop van dieren tussen bedrijven vormt volgens hem een risico.

Nauwynck kijkt vanuit een ander perspectief naar dat transportprobleem. “In de veeteelt weten we heel goed dat transporten en het mengen van dieren gevaarlijk is. Daar werken we al jaren aan. Maar als ik naar mijn eigen leven kijk, is dat net het tegenovergestelde. Ik heb een gigantisch aantal contacten op één dag. Daar komt nog bij dat we tegenwoordig het vliegtuig nemen zoals we vroeger de bus namen. Die factoren dragen bij aan een razendsnelle verspreiding van ziektekiemen”, beweert hij.

Hij wijst daarbij op de Mexicaanse griep, het pandemische H1N1-virus. “Dat ontstond oorspronkelijk als een soort van mix van virussen bij varkens. Vervolgens verspreidde het zich wereldwijd via de mens, om vervolgens weer varkenshouderijen te besmetten. Het ging sneller via de mens dan via de veeteelt”, aldus Nauwynck.

In zijn ogen is de gezondheidssector veel minder aangepast aan potentiële nieuwe virussen. “Klop je bij de huisarts aan met een obscuur virus, dan is de kans klein dat die tot op de bodem uitzoekt wat je precies hebt. Als een varken ziek wordt, dan willen de boer en de dierenarts weten welke ziekte het is. Ze sturen stalen op naar het labo, waar men uitzoekt of het gaat om één ziekte of een combinatie van meerdere virussen of bacteriën. Dergelijk onderzoek bij dieren gebeurt al tien jaar, terwijl mensen niet worden onderzocht op dergelijke combinaties”, legt de UGent-professor uit. De veehouder betaalt graag voor een grondige diagnose, maar bij mensen gebeurt het niet. Op het vlak van diagnostiek staan we met de diergeneeskunde op een hoger niveau.”

Volgens Eos bieden deze vaststellingen stof tot nadenken. “De kans bestaat dat een nieuw virus onze veestallen binnendringt, zich verspreidt en vervolgens overspringt op de mens. Maar binnen de veeteelt zijn er ook tal van maatregelen om dat scenario te voorkomen. Net als vee zijn wij met velen en leven we dicht bij elkaar. Het verschil is dat onze contacten meer variëren, dat we ons vaker verplaatsen en dat er nauwelijks controlemechanismen zijn om nieuwe ziekten op te sporen en in te dammen”, besluit Eos-journalist Melissa Vanderheyden.

Meer informatie: Komt de volgende pandemie uit een Vlaamse varkensstal

Bron: Eos

Beeld: DGZ

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek