Driekwart van de varkensboeren is trouw aan één afnemer
nieuwsVanuit de overtuiging dat het belangrijk is om naar de ideeën én de problemen van individuele varkenshouders te luisteren, organiseerde de Vlaamse landbouwadministratie een enquête die massaal ingevuld is. De respondenten geven ook hun verkoopstrategie prijs. Als afzetkanalen voor vleesvarkens zijn het slachthuis en de handelaar ongeveer even populair. Biggen gaan meestal naar een handelaar die als tussenpersoon optreedt. Vlaamse varkensboeren zijn trouw aan hun afnemer want driekwart van hen heeft er slechts één. Een gebrek aan prijstransparantie is niettemin een issue want de meesten stellen zich vragen bij de toeslag ze ontvangen.
Aangezien bijna 1.200 varkenshouders de overheidsenquête invulden, loont het de moeite om er uitgebreid bij stil te staan. In een eerste artikel hadden we het over het pessimisme in de sector, de schuldenlast en de plannen (uitbreiden/stoppen) die varkenshouders op korte termijn maken. Nu gaan we dieper in op de verkoopstrategie van Vlaamse varkenshouders. Hun afnemers van vleesvarkens zijn slachthuizen (55%) en handelaars/grossisten (51%). Een zeer beperkt aantal producenten exporteert rechtstreeks naar het buitenland (3%) of verkoopt rechtstreeks aan de consument (2%). Over het algemeen verloopt de afzet vlot. De grootste problemen zijn het vooraf niet weten wat de prijs is en het afkeuren van varkens. Het Departement Landbouw en Visserij merkt wel op dat de helft van de respondenten deze zaken niet als een probleem ervaart.
Varkenshouders zijn goed op de hoogte van de gewichten van de door hen geleverde varkens. Twee derde weegt de varkens (bijna) altijd vooraleer ze naar het slachthuis gaan. De varkenshouders kregen een aantal stellingen voorgelegd over de relatie met hun belangrijkste afnemer. Zeven op de tien stellen zich vragen bij de toeslag die ze krijgen voor hun vleesvarkens. Meestal weten ze wat voor type vleesvarken de afnemer wenst. Zeven op de tien respondenten differentiëren hun varken niet van de gangbare productie. Het gebruik van voeder met speciale eigenschappen wordt met 14 procent het meest ingezet als differentiatiestrategie. Zes procent van de respondenten kiest een andere productiemethode zoals bio of uitloop. In mindere mate kweken ze een ander ras, of zetten ze het vlees af via de korte keten. Van de respondenten die (nog) niet aan differentiatie doen, schat 13 procent in dat er een kans bestaat dat ze dat in de komende vijf jaar wel gaan doen.
Aan de varkenshouders die het afgelopen jaar slechts één afnemer hadden, wat voor driekwart van de respondenten opgaat, is gevraagd naar de redenen voor de samenwerking. Een vlotte afzet van de varkens (70%), vertrouwen in de afnemer (63%) en algemene tevredenheid over de samenwerking met de afnemer (60%) worden als de drie belangrijkste redenen genoemd. Een correcte betaling naar gewicht/kwaliteit (54%) en een correcte prijs (42%) volgen pas daarna. “De relatie op zich blijkt dus belangrijker te zijn dan de prijsaspecten”, concludeert de studiedienst van de landbouwadministratie daaruit. Daarnaast geeft 30 procent aan dat ze zich niet kunnen verbeteren bij een andere afnemer en antwoordt 23 procent dit te doen uit gewoonte. Voor 19 procent van de respondenten speelt de locatie een rol, de afnemer zit in de buurt. Wie kiest voor meerdere afnemers wil niet afhankelijk zijn van één firma en wil kopers tegen elkaar uitspelen op prijs.
Zeugenbedrijven verkopen hun biggen in 62 procent van de gevallen aan een handelaar. De rechtstreekse verkoop aan een andere varkenshouder of aan een integrator is met respectievelijk 24 en 22 procent beperkter. Ook zeugenhouders werken meestal met één afnemer, en als voornaamste probleem in de onderlinge relatie wordt opnieuw de weinig transparante toeslag genoemd.
Vier op de vijf respondenten menen dat de Vlaamse varkenshouderij enkel toekomst heeft als alle partijen in de keten samenwerken. Ze zien de voordelen van samenwerking, maar de manier waarop en met welke partijen is voor veel varkenshouders nog onverkend terrein. Verticale samenwerking wordt bemoeilijkt door het idee dat andere stakeholders de varkenshouders niet als volwaardige partners zien. Samenwerking met andere varkenshouders leidt volgens 38 procent van de respondenten tot betere resultaten, maar dat geldt in de praktijk als niet gemakkelijk.
Producentenorganisaties, een nieuw gegeven in de varkenshouderij, zijn nog niet goed ingeburgerd. De enquête werd afgenomen kort na de erkenning van VPOV, de eerste erkende producentenorganisatie in Vlaanderen. Iets meer dan de helft van de respondenten kent VPOV niet, of enkel van naam. Zeven procent van de respondenten was op dat moment reeds lid. De komende vijf jaar zou 15 procent van de anderen willen toetreden, maar de meeste niet-contractproducenten lijken daar niet toe geneigd of wachten af.
In het belang van export voor hun sector geloven varkenshouders sterk. Tijdens de door minister Joke Schauvliege georganiseerde G30-varkenstop werd reeds aangegeven dat voor de Vlaamse varkenssector een toename van export, nieuwe afzetmarkten en exportpromotie belangrijk zijn. Op diezelfde bijeenkomst van alle stakeholders kwamen ook differentiatie en alternatieve verdienmodellen aan bod, maar dit is volgens de varkenshouders zelf enkel voor een beperkt aantal bedrijven weggelegd. Het overgrote deel ziet zich niet in staat om in te zetten op productdifferentiatie.
Qua bedrijfsstrategie liggen er geen grote veranderingen in het verschiet. Tijdens de G30 werden naast korte keten en niches en horizontale en verticale samenwerking ook meer drastische keuzes besproken. Een beperkt aantal bedrijfsleiders ziet zich binnen vijf jaar buitenshuis werken of denkt erover om vleesvarkens op contract te gaan produceren. Het aantal bedrijven die zouden stoppen met vleesvarkens- en biggenproductie komt overeen met de ‘normale’ uitstroom. Ongeveer één op de vijf bedrijven met zeugen denkt aan afbouwen of stoppen met deze bedrijfstak.
Meer info: Departement Landbouw en Visserij