Ann Nachtergaele (FEVIA) en Marc Rosiers (Boerenbond)
duidingHun blik spreekt boekdelen als we hen vragen of ze tevreden zijn over de resultaten van het transformatieproject ‘De voedingsketen verduurzaamt’. Marc Rosiers (Boerenbond) en Ann Nachtergaele (FEVIA) zijn de regisseurs van een denkproces rond duurzame landbouw dat heeft geleid tot een handvol geslaagde experimenten. Vooral de Vlaamse soja waarmee AVEVE varkens voederde en Alpro sojadrinks maakte, spreekt tot de verbeelding. Maar wie gaat graven in de blogbrief over het project vindt meer leuke experimenten en een stevig onderbouwde systeemanalyse door wetenschappers. “Je bereikt het meest door 90 procent van de landbouwsector 10 procent vooruitgang te laten boeken op vlak van duurzaamheid. Geen revolutie maar evolutie”, zo verduidelijken Rosiers en Nachtergaele hun geloof in transformatie, eerder dan in een transitie naar een duurzaam landbouwsysteem. Met een vervolgtraject dat in de startblokken staat, is het uitkijken naar een nieuwe lading verfrissende ideeën die de landbouwsector in een stroomversnelling kunnen brengen.
Op de vraag of de verwachtingen van het transformatieproject zijn ingelost, hoeven Marc Rosiers van Boerenbond en Ann Nachtergaele van FEVIA niet lang na te denken. “De pilootprojecten – wij noemen het ‘action labs’ – zijn geslaagd, de projectpartners hebben van elkaar geleerd, de samenwerking in de voedselketen kan hierdoor efficiënter verlopen in de toekomst en het duurde niet lang of er doken nieuwe ideeën op voor een vervolgtraject”, klinkt het tevreden.
Werd die tevredenheid wel door iedereen gedeeld, zo polsen we voorzichtig in de wetenschap dat de ngo’s uit de stuurgroep zijn gestapt. “Een persoonlijk engagement volstaat niet als de achterban niet mee wil”, luidt het antwoord. Dat zou verklaren waarom de vertegenwoordigers van de ngo’s niet tot het eind aan boord zijn gebleven, maar is ook de reden waarom Boerenbond en FEVIA de stekker uit het pre-transitietraject ‘The New Food Frontier’ trokken dat de weg plaveide voor het ondertussen succesvol afgeronde transformatieproject. Vertegenwoordigers van bovenstaande ledenorganisaties kunnen nu eenmaal niet freewheelen en brainstormen over een nieuwe landbouwrevolutie zonder verantwoording af te leggen aan de achterban.
Past de gangbare landbouw zich aan of werpen de niches ‘het regime’ omver?
“De tegenstelling tussen ngo’s en sectororganisaties was puur ideologisch zodat we er goed aan doen elkaars standpunten te respecteren om vervolgens bruggen proberen te bouwen”, zegt Marc Rosiers. “Wij geloven dat als de druk op het voedselsysteem groot wordt er innovatieve oplossingen gevonden zullen worden, waarbij de verandering zowel technologisch kan zijn als inherent aan het systeem. Innovatie is veel meer dan alleen techniek en kan bijvoorbeeld ook bestaan uit nieuwe samenwerkingsverbanden of het sluiten van kringlopen. Zij die meer op revolutie uit zijn, menen dat de huidige situatie – onder andere de druk op natuurlijke grondstoffen – de voedselketen zal verplichten tot een meer fundamentele verandering.”

Net zoals Boerenbond is ook FEVIA de weg van de geleidelijkheid meer genegen. Ann Nachtergaele: “Wij werken aan de verduurzaming van de ‘mainstream’ voedselketen terwijl de andere strekking ‘het systeem’ liever niet ziet evolueren omdat niches zich dan beter kunnen profileren door ‘het regime’ in vraag te stellen.” Rosiers verwijst in dat verband naar de drie ‘spilvarkens’ die in het centrum van Gent vetgemest werden door vrijwilligers. In de wetenschap dat er 11 miljoen varkens in Vlaanderen geslacht worden, lijkt het zinvoller om de (media-)aandacht toe te spitsen op initiatieven om het dierenwelzijn aan de slachtlijn te verbeteren, het antibioticaverbruik te verminderen, het mest- en ammoniakprobleem te verkleinen met innovatieve maatregelen, enz.
In de plantaardige sector gaat dezelfde vlieger op. Wanneer gewasbeschermingsmiddelen – “pesticiden” – de hoofdrol spelen in een smeuïg verhaal in de dagbladen lijkt het voor buitenstaanders alsof met deze producten anno 2015 nog altijd onzorgvuldig omgesprongen wordt. Een ingewijde in de sector zoals Marc Rosiers weet wel beter: “In het lastenboek voor plantaardige productie, Vegaplan, zijn 22 duurzaamheidsvoorwaarden opgenomen. Veel maatregelen zijn niet nieuw maar werden al breed toegepast op landbouwbedrijven. Onderdeel van Vegaplan zijn de voorschriften inzake ‘integrated pest management’ zodat chemische middelen niet meer ingezet worden dan nodig.”
De scherpe kantjes worden dus voortdurend van ons landbouwmodel gevijld. Je kan ‘het regime’ – lees: de gangbare landbouw – toch moeilijk verwijten dat het zichzelf in stand wil houden? “Duurzaamheid is een voortschrijdend proces. Soms wordt het vertraagd omdat bijkomende kosten niet vergoed worden en er evenmin efficiëntiewinsten tegenover staan. Maar de vooruitgang is er zoals ook de kritiek dat het niet snel genoeg gaat er altijd zal zijn”, bekijkt Rosiers het filosofisch.

“Onze voedingsbedrijven zien duurzaamheid niet alleen als een last”, benadrukt Nachtergaele, “want heel vaak komen maatregelen neer op meer doen met minder, efficiëntiewinst dus.” De voornaamste drempel om rond duurzaamheid te werken in de voedingsindustrie is naar verluidt tijd. Zelfs bij grotere voedingsbedrijven, wat in regel nog altijd KMO’s zijn, laat de personeelsbezetting niet toe om iemand aan te duiden die zich fulltime kan bekommeren om de duurzaamheidsprestaties van de firma. Unilever en een paar andere multinationals die in ons land actief zijn, vormen hierop de uitzondering.
“Het duurzaamheidsverslag van FEVIA wil daarom een kapstok zijn voor de vele kleine bedrijven die in onze sector actief zijn”, zegt Ann Nachtergaele. Dat is heel vergelijkbaar met hoe in de landbouwsector het duurzaamheidsverhaal aangestuurd wordt door beroepsorganisaties als Boerenbond (meer info in de toekomstvisie ‘Inzetten op duurzame groei’) en door producentenorganisaties als de groente- en fruitveilingen (meer info via duurzaamheidskeurmerk ‘Responsibly Fresh’).
Duurzaamheid betekent ook communiceren over de inspanningen die je al doet
Wanneer lastenboeken duurzaamheid omarmen, wordt sensibiliseren en communiceren heel erg belangrijk. Een goed voorbeeld is IKM, wat staat voor Integrale Kwaliteitszorg Melk. In 2014 werd een ‘duurzaamheidsinventaris’ toegevoegd aan het lastenboek voor melkveehouders. Via deze objectieve inventarisatie zal de melkveehouderij kunnen aantonen welke inspanningen de sector levert en welke vooruitgang hij jaar na jaar boekt. Gelijktijdig werken ook andere deelsectoren van de landbouw, toeleveranciers en afnemers aan duurzaamheid.

Het transformatieproject ‘De voedingsketen verduurzaamt’ onderscheidt zich van alle voorgaande inspanningen doordat het de hele voedselketen overspant. Andere initiatieven op meer individuele basis worden daarom niet stilgelegd. “Om het zoutgehalte in voedingswaren te verminderen hebben onze bedrijven de landbouwsector niet nodig”, illustreert Nachtergaele. Zolang er maar samengewerkt wordt waar en wanneer nodig, want de sector heeft volgens Rosiers af en toe last van “navelstaarderij”.
Met vereende krachten slaagt men er soms in het schier onmogelijke waar te maken. Lokale soja is daar een mooi voorbeeld van want tot voor kort geloofde niemand dat je dit eiwitrijke gewas in Vlaanderen kon telen. Zei men voor de grote doorbraak van maïs in de jaren ’70 over dat tropisch gewas niet precies hetzelfde? De eerste resultaten met soja (2,5 ton per hectare gecorrigeerd naar 15 procent vocht, nvdr.) ogen veelbelovend zodat de proef in Vlaanderen zeker wordt voortgezet. Om het gat dat voorlopig nog bestaat tussen kost en opbrengst dicht te rijden, wordt luidop gedroomd van gekoppelde steun voor lokale sojaproductie.

Als puntje bij paaltje komt, is het aan de veredelaars om onze landbouwers te voorzien van variëteiten die beter aangepast zijn aan de weersomstandigheden zodat ze in onze contreien een hoger rendement opleveren. Per hectare zou zo’n 4 à 4,5 ton soja geoogst moeten worden om competitief te zijn met andere akkerbouwteelten. “Wie weet, groeit er dan binnen een jaar of tien op de helft van de Vlaamse maïsvelden soja”, zegt Ann Nachtergaele. “Of komt soja voor de Vlaamse veehouderij uit Oost-Europa in plaats van Zuid-Amerika. Daar liggen immers nog vele duizenden hectaren landbouwgrond braak en het zou de ‘foodprint’ van lokale dierlijke productie verder verlagen”, vult Marc Rosiers aan.
Zelfs een ‘action lab’ die niet tot een goed einde kon worden gebracht, namelijk het door het Innovatiesteunpunt bedachte ‘shop, pick, drive & deliver’, vinden Rosiers en Nachtergaele een geslaagde testcase. Het leek een briljant idee om een centraal distributiesysteem op te starten voor verse hoeveproducten en de uitlevering aan (zorgbehoevende) klanten uit te besteden aan Bpost. In feite werden twee succesvolle projecten samengebracht: het Noord-Antwerpse korteketencollectief DistriKempen en de Bpost-leveringen op afspraak. Tegenover het uitgespaarde bezoek aan de hoevewinkel staat een iets hogere prijs, maar de consument was niet bereid om die te betalen. Terwijl Bpost afhaakte, gaat DistriKempen op zijn elan door. Lokale retailers, zelfstandige winkels en horecazaken willen wél betalen voor de levering van verse land- en tuinbouwproducten uit eigen streek.
Wanneer werpen maatregelen ter verduurzaming hun vruchten af?
Wie het bovenstaande leest, zal zich misschien afvragen wat lokale sojateelt en een efficiënt model voor korte-keten-distributie met elkaar gemeen hebben. Het antwoord luidt een strategisch plan dat de landbouw- en voedingsketen verder op weg zal zetten richting verduurzaming. Strategieën zijn mogelijke wegen die de sector kan inslaan om van de huidige toestand naar het uitgestippelde doel te evolueren. Daarbinnen passen zowel ondersteunende acties die als erg toekomstgerichte ideeën die pas op termijn tot realisatie kunnen komen.
Alle acties hebben gemeen dat ze keten overschrijdend zijn – de oplossing moet van meer dan één schakel van de voedselketen komen – evenals realistisch uitvoerbaar met een meetbaar resultaat. Voorbeelden zijn nadenken over nieuwe financieringsvormen, reststromen hoger valoriseren om tot een kringloopeconomie te komen en een gemeenschappelijk internetplatform voor landbouw en voedingsindustrie dat de administratie rond lastenboeken vermindert.

Terwijl het ene project nog volop in uitvoering was, werden er al nieuwe voorstellen gedaan. Zo wil Vredeseilanden duurzaamheid introduceren in het aankoopbeleid van de supermarkten. Zulke ideeën zijn niet verloren want ook het vervolgtraject heeft nood aan bruisende ideeën. “Nieuwe ‘action labs’ moeten passen in het strategisch plan, maar de tien ontwikkelde strategieën zijn met opzet breed gedefinieerd zodat er geen voorstellen op voorhand worden uitgesloten.”
In de blogbrief van het transformatieproject vinden we die tien strategieën terug. Naast ‘klassiekers’ zoals duurzame productie en het verhogen van de grondstoffenefficiëntie lezen we ook dat men wil experimenteren om te komen tot innovaties die de ganse voedselketen omspannen. Denk bijvoorbeeld aan nieuwe business- of distributiemodellen. Vreemd genoeg vinden we in de projectcommunicatie geen definitie van duurzame landbouw terug. “Daar hebben we ons niet aan gewaagd”, legt Rosiers uit. “Over een definitie zouden we het niet eens geraakt zijn terwijl het net onze betrachting was om samen met de ngo’s een visie te ontwikkelen.”

Als het over de verduurzaming van de voedselketen gaat, is tijd een belangrijk breekpunt tussen ngo’s en sectororganisaties. “De agrovoedingsindustrie zal er over 20 jaar heel anders uitzien dan vandaag maar verwacht geen spectaculaire veranderingen binnen dit en vijf jaar.” De verschillende tijdshorizon van transitie enerzijds en transformatie anderzijds, kwam ook aan de oppervlakte in de systeemanalyse die in het kader van dit project van de voedselketen gemaakt werd.
Het Vlaams onderzoeksinstituut ILVO heeft voor die analyse zo goed werk geleverd dat het rapport nu door het leven gaat als een nulmeting inzake duurzaamheid. In de toekomst kan de impact van beleidsacties en verduurzamingstrajecten vergeleken worden met de beschrijving in dit rapport. In die zin is dit rapport een startpunt en een klankbord voor een transformatie van de agrovoedingsketen naar een verdere verduurzaming. De systeemanalyse ligt aan de basis van het strategisch- en actieplan.
Consument heeft geen boodschap aan duurzaam voedsel, maar laat zich wel leiden door verkooptermen als lekker en dichtbij
De drijvende krachten achter ‘De voedingsketen verduurzaamt’ laten zich niet uit het lood slaan door een recente enquête die zegt dat de doorsnee Belg het begrip duurzaamheid beu gehoord is. Een andere weg is er volgens Ann Nachtergaele niet. Zij spreekt in dat verband van “evolueren om te overleven”. Hoewel de consument het volgens sommigen onderhand wel gehad heeft met duurzaamheid, heeft de maatschappij (en de consument als burger) er volgens haar nood aan.
In het vervolgtraject krijgt communiceren over duurzaamheid met de eindklant meer aandacht. “We gaan niet over ‘duurzaam’ spreken maar over lekker voedsel of voedsel van dichtbij”, neemt de vertegenwoordiger van de voedingsindustrie zich voor. Ook woorden als ‘schoner’ en ‘zuiverder’ worden drager van de boodschap van de agrovoedingsindustrie.

Verder laten Nachtergaele en Rosiers zich niet vastpinnen op community supported agriculture (CSA) en andere druk besproken en beschreven ‘uithangborden’ van een duurzame landbouw. “De boer moet zich goed voelen in het model waarin hij werkt, of dat nu een zelfplukboerderij is of contractteelt voor een grote afnemer. En wat er ook beweerd mag worden, waarom zouden organisaties als Boerenbond of FEVIA er iets op tegen hebben dat een ondernemer een gat in de markt vindt?”
Ondertussen is de kogel door de kerk en werd de aanvraag voor het vervolgproject ingediend bij de Vlaamse overheid. Onderzoeksinstituut ILVO werd opgewaardeerd van ‘onderaannemer’ tot volwaardig partner. Het vervolgproject zet nieuwe stappen in de ingeslagen richting: de voedingsindustrie moet verduurzamen om zich te bestendigen en versterken als één van de belangrijkste sectoren van het Vlaamse industriële weefsel.
De ambitieuze doelstelling is de transformatie van het Vlaamse landbouw- en voedingssysteem effectief initiëren en in de praktijk implementeren aan de hand van twee speerpunten: een actieplan en (vijf à tien) ‘action labs’ zoals we ze kennen van het vorige project. Communicatieacties zullen dit ondersteunen. Het actieplan houdt een breed stakeholdertraject in waarbij men op zoek gaat naar een ‘multiplicator-effect’ van de te ontwikkelen acties en action labs. De vooruitgang die de agrovoedingsketen boekt bij het verduurzamen, wordt opgevolgd en het actieplan kan in de loop van het project aangevuld worden.