Agro-kmo's als bedrijfsmodel voor de toekomst: "Nog veel drempels weg te ruimen"
nieuwsLandbouwbedrijven worden groter, investeringen lopen op tot miljoenen euro’s en samenwerking met externe partners en andere bedrijven wordt steeds belangrijker. Volgens ILVO-topman Joris Relaes is het daarom tijd voor agro-kmo's om het traditionele gezinsbedrijf te ontlasten. Dat stelde hij tijdens de viering van 20 jaar DLV Accountants. Ook DLV ziet dat de evolutie naar agro-kmo’s zich in de praktijk al aan het voltrekken is, maar stelt vast dat nieuwe bedrijfsmodellen nog te vaak botsen op regelgeving die afgestemd is op het klassieke gezinsbedrijf.
Joris Relaes, administrateur-generaal van ILVO, lanceerde zijn idee over agro-kmo’s ongeveer een jaar geleden. “Het was door een gesprek met jonge landbouwers dat ik me begon af te vragen hoe houdbaar ons model van gezinslandbouw is”, vertelt hij. “Die jonge landbouwers zeiden dat ze vandaag al zo’n 90 tot 100 uur per week werken, maar dat ze nog meer uren zouden doen als dat nodig zou zijn voor hun bedrijf.”
Relaes is van mening dat er vandaag zoveel gevraagd wordt aan gezinnen in de landbouw, dat dit in de toekomst niet meer houdbaar is. “Denk maar aan de administratieve lasten, kapitaallasten, maar ook de overneembaarheid en de vergunningenproblematiek. Dat zorgt voor zo’n druk op de schouders van één of twee mensen die het bedrijf uitbaten. Ook de sociale implicaties van 100 uur werken per week zorgen ervoor dat jonge mensen steeds vaker twijfelen om in de landbouw te stappen.”
"Geen pleidooi tegen gezinsbedrijf"
Om zijn visie kracht bij te zetten, trekt hij parallellen met andere sectoren. “Denk aan huisdokters. Vroeger werkten die van 8 uur ’s morgen tot 10 uur ’s avonds. Hun partner zat thuis aan de telefoon om de afspraken in te plannen. Vandaag werken bijna alle dokters in groepspraktijken met administratief personeel. Ook tandartsen, fietsenmakers of begrafenisondernemers hebben zich intussen verenigd in groepen of werken in franchisesystemen. Ik denk dat het tijd is dat we ook voor de landbouw zo’n systeem in overweging nemen.”
Vandaar dat Relaes het idee van een agro-kmo lanceerde. Samenwerking tussen landbouwbedrijven of meerdere mensen die in de aandeelhoudersstructuur van landbouwbedrijven participeren, zijn voorbeelden van agro-kmo’s die hij naar voren schuift. De ILVO-topman kreeg het afgelopen jaar meermaals de wind van voren over dit voorstel, onder meer uit politieke en milieuhoek. “Ik hou geen pleidooi tegen het gezinsbedrijf, absoluut niet, maar deze bedrijven houden het niet vol. Ik denk dat we die realiteit onder ogen moeten zien.”
"Out-of-the-box-denken kansen geven"
Naar aanleiding van het 20-jarig bestaan van DLV Accountants werd Relaes uitgenodigd om zijn voorstel uit de doeken te doen. “We zien dat bedrijven steeds groter worden. De toenmalige minister-president van Vlaanderen Kris Peeters noemde boeren al ondernemers in het kwadraat. Dat is vandaag meer dan ooit het geval”, zegt Dirk Coucke, gedelegeerd bestuurder van kennis- en adviesbureau DLV. Tegelijk ziet hij dat agro-kmo’s vandaag eigenlijk al opduiken in de landbouw, onder meer in de glastuinbouw.
DLV ziet ook parallellen met 50 jaar geleden, toen de landbouwvennootschap werd ingevoerd. “Ook toen was er veel tegenkanting tegen het idee dat landbouwbedrijven zouden kiezen voor een vennootschapsvorm”, vertelt Paul Van Der Schueren van DLV Accountants. “Het heeft ook heel lang geduurd vooraleer de vervennootschappelijking van de grond kwam. Pas toen de randwetgeving, zoals bijvoorbeeld de VLIF-reglementering, werd aangepast, kwam de vennootschap als bedrijfsvorm van de grond in de land- en tuinbouw.”
We moeten plaats durven maken voor bedrijven waarbij samenwerking tussen verschillende entiteiten op verschillende locaties met een professionele structuur mogelijk wordt
DLV is dan ook van mening dat een out-of-the-box-idee als de agro-kmo een kans moet krijgen. “De diversiteit binnen de landbouwsector wordt almaar groter. Binnen die diversiteit moeten we plaats durven maken voor bedrijven waarbij samenwerking tussen verschillende entiteiten op verschillende locaties met een professionele structuur mogelijk wordt”, duidt Van Der Schueren. “Op dit soort bedrijven, met een modern management en de nodige middelen ter beschikking, zal innovatie, die essentieel is voor de toekomst, een kans krijgen. Daarnaast moeten er ook kleinere bedrijven kunnen blijven bestaan die bijvoorbeeld gericht zijn op de korte keten of een andere niche.”
"Niet meer in functie van rendement adviseren"
Volgens Carl De Braeckeleer, co-CEO van adviesbureau DLV, is de evolutie naar andere samenwerkingsvormen in de landbouw zich al aan het voltrekken. “Ik denk dat veel van onze landbouwbedrijven al een stukje agro-kmo zijn. Wie van onze landbouwers stelt geen mensen tewerk? Wie doet er geen beroep op externe dienstverlening?” Dat is in de ogen van De Braeckeleer ook nodig, want investeringen die in de miljoenen lopen, zijn geen uitzondering meer op landbouwbedrijven.
Hij stelt in de praktijk ook vast dat het niet meer voldoende is om in functie van rendement advies te verlenen. “Bedrijven kunnen grofweg drie richtingen uit: ze kunnen consolideren of specialiseren, ze kunnen diversifiëren of er moet gezorgd worden voor continuïteit op bedrijven door overname of samenwerking. Vooraleer we bedrijven daarover adviseren, moeten we rekening houden met heel wat randwetgeving die een grote impact kan hebben op de ‘license to produce’ van een bedrijf”, aldus De Braeckeleer.
De meest toekomstgerichte ondernemingen gaan vaak het moeilijkste vergunningentraject tegemoet
Volgens hem gaan de meest toekomstgerichte ondernemingen vaak ook het moeilijkste vergunningentraject tegemoet. “Denk bijvoorbeeld aan een akkerbouwer met een kleiner bedrijf dat aan een drukke steenweg ligt en overweegt om een hoevefrituur te beginnen. Vaak lopen we in dergelijke gevallen tegen een heel aantal zaken aan.” De Braeckeleer ziet dat nieuwe bedrijfsmodellen vaak in botsing komen met het beleid.
"Nog heel wat drempels weg te ruimen"
Dat is ook het geval voor de agro-kmo. “Vandaag is het nog steeds zo dat je pas in aanmerking komt voor een erkenning als landbouwonderneming als alle aandeelhouders natuurlijke personen zijn. Werken met een holdingstructuur heeft dus meteen impact op zaken als pacht of VLIF-steun. We hebben op dat vlak nood aan meer rechtszekere trajecten voor vennootschappen, opvolgers en samenwerkingsvormen”, meent hij.
Ook de impact op nutriëntenemissierechten (NER) is bijzonder groot wanneer er geschoven wordt met het aandeelhouderschap van vennootschappen. “Als er geen direct familiaal verband is bij overname van aandelen, dan wordt een kwart van de NER meteen gereduceerd. Dat kan verregaande implicaties hebben. We zien dat deze rechten vandaag alleen maar worden afgeroomd, er worden er geen bijgemaakt. Daardoor zijn NER de afgelopen tijd vertwintigvoudigd in aankoopprijs. Dat kan een ongelofelijke kapitaaldrain betekenen op landbouwbedrijven”, verduidelijkt De Braeckeleer.
Bedrijven samenvoegen om zo efficiëntiewinsten te behalen, is door het stikstofdecreet ook veel moeilijker geworden. “Eigenlijk is de PAS-referentie die op bedrijven wordt geïntroduceerd een nieuw quotum. Ze is veel beperkender in veel gevallen dan de vergunning. Vandaag is er geen enkele mogelijkheid om ammoniak van locatie A naar locatie B te brengen. Dat zogenaamde extern salderen is al langer een vraag van de landbouwsector, maar we moeten beseffen dat dit op dit ogenblik niet kan en dat het beleid op korte termijn niet zal worden bijgestuurd.”
Vandaar wil De Braeckeleer een ‘shout out’ richten naar de beleidsmakers: “Denk minder vanuit het klassieke bedrijfsmodel en omarm andere ondernemingsvormen.”
20 jaar DLV Accountants: “Het beleid hinkt vaak achterop bij de evolutie van landbouwbedrijven”
interviewBron: Eigen berichtgeving