108 landbouwbedrijven moeten verplichte begeleiding volgen om bemesting bij te sturen
nieuwsIn 2026 moeten in totaal 108 land- en tuinbouwbedrijven verplicht een begeleidingstraject volgen om hun bemestingspraktijken bij te sturen, nadat hun nitraatresidugehalte boven de drempelwaarden uitkwam. Driekwart van deze bedrijven zijn afkomstig uit West-Vlaanderen, de grootste landbouwprovincie van Vlaanderen. Dat blijkt uit een parlementaire vraag van Vlaams parlementslid Arnout Coel (N-VA). Naast deze 108 bedrijven moeten ook nog 97 andere bedrijven een begeleidingstraject volgen om andere redenen.
In het zevende Mestactieplan (MAP7) staan een reeks maatregelen die de waterkwaliteit in Vlaanderen moet verbeteren. De focus ligt op het terugdringen van de uitspoeling van nutriënten uit de landbouw, vooral nitraat en fosfor. MAP 7 introduceerde voor het eerst een systeem van verplichte begeleiding voor landbouwers van wie uit de bedrijfsevaluatie blijkt dat hun nitraatresidu boven de tweede drempelwaarde ligt. Ook bedrijven waarvan de staalnames zowel in 2024 als 2025 tussen de eerste en tweede drempelwaarde liggen, moeten in 2026 verplicht op eigen kosten een begeleidingstraject volgen via een erkend praktijkcentrum.
Een te hoge nitraatresidumeting wijst erop dat het gewas niet alle stikstof heeft opgenomen, waardoor na het groeiseizoen te veel stikstof in de bodem achterblijft. Dat verhoogt het risico op uitspoeling naar grond- en oppervlaktewater. Om dit te vermijden werd de voorbije jaren sterk ingezet op communicatie en sensibilisering over duurzame bemestings- en teeltpraktijken. Daarbij wordt steevast het principe van de 6J’s naar voren geschoven. Wie bemest met de juiste mestsoort, de juiste dosis, op het juiste tijdstip, met de juiste bemestingstechniek, op de juiste plaats en met het juiste teeltplan, verlaagt het risico dat de gewassen niet alle nutriënten hebben kunnen opnemen.
Boven de drempelwaarde
Op basis van de meetcampagne 2025 gaat het over 76 bedrijven die boven de tweede drempelwaarde uitkwamen en 32 bedrijven die tweemaal tussen de eerste en tweede drempelwaarde scoorden. Daarnaast zijn er nog 97 andere bedrijven die in 2026 onderhevig zijn aan de verplichte begeleiding. Dit komt omdat ze ofwel hun verplichte bedrijfsevaluatie niet (volledig) uitgevoerd hebben, ofwel omdat ze in 2025 al de maatregel verplichte begeleiding opgelegd kregen, maar dit nog in 2026 moeten doen. Een opgelegde maatregel blijft maximum vijf jaar van toepassing, tenzij een bedrijf vroeger een bedrijfsevaluatie beneden de strengste eerste drempelwaarde kan voorleggen.
“Uit de cijfers blijkt dat de problematiek sterk geconcentreerd is in West-Vlaanderen. Daar liggen 51 van de 76 bedrijven die boven de tweede drempelwaarde uitkwamen, en 24 van de 32 bedrijven die tweemaal tussen de eerste en tweede drempelwaarde scoorden. In Vlaams-Brabant valt geen enkel bedrijf in deze categorieën”, vertelt Coel. Hij stelt dat onderzocht moet worden of een gebiedsgerichte aanpak zich opdringt, gezien de hoge concentratie in West-Vlaanderen van bedrijven met een overschrijding van de tweede drempelwaarde. “Het is belangrijk om te begrijpen waarom dat zo is, en op te volgen of de opgelegde begeleiding voor de noodzakelijke verbetering zorgt”, aldus Coel.
Vrijwillige adviezen
Wie een verplicht begeleidingstraject opgelegd krijgt, moet dit zelf bekostigen. Maar MAP7 voorziet ook in een vrijwillige kennisportefeuille. Via deze maatregel kunnen actieve landbouwers een tegemoetkoming krijgen voor bedrijfsspecifieke adviezen en vormingen rond bemesting en bodemkwaliteit. De overheid neemt 70 procent van de kostprijs ten laste, met een maximum van 2.000 euro per bedrijf.
Uit de cijfers die Coel bij Vlaams minister van Landbouw en Omgeving Jo Brouns (cd&v) opvroeg, blijken er voor de periode 2024-2025 1.248 steunaanvragen ingediend te zijn. Daarvan werden tot nu toe 138 dossiers uitbetaald voor een totaal van 112.798 euro. Voor de periode 2026-2027 is er opnieuw budget voorzien en zal er verder gewerkt worden aan een uitbreiding van het begeleidingsaanbod.
“De grote meerderheid van onze landbouwers zet zich elke dag in om op een goede manier te bemesten en de bodem- en waterkwaliteit te bewaken”, aldus Coel. “Wie als ondernemer wil investeren in betere bemestingspraktijken, verdient een overheid die meedenkt. De kennisportefeuille is daarvan een goed voorbeeld en het is positief dat de minister dit instrument voortzet en uitbreidt.”