Wereldwijd omschakelen naar bijenvriendelijke landbouw
nieuwsDe afgelopen twee jaar verschenen meer dan 150 nieuwe studies over neonicotinoïden en hun effecten op bijen. Een internationaal team van zes wetenschappers onder leiding van Jeroen van der Sluijs, docent Nieuwe risico's aan de Universiteit Utrecht, maakte een synthese van al deze nieuwe inzichten. Zij concluderen dat een wereldwijde omschakeling naar bijenvriendelijke landbouwpraktijken dringend gewenst is.
Een internationaal team van wetenschappers geleid door de Universiteit Utrecht registreerde de recente wetenschappelijke kennis over de effecten van neonicotinoïde-insecticiden op bijen. Grootschalig preventief gebruik in de landbouw, in combinatie met de hoge persistentie in bodem en water en opname door planten die het gif doorgeven aan hun stuifmeel en nectar, leiden tot substantiële risico’s.
In het wetenschappelijke tijdschrift Current Opinion in Environmental Sustainability waarschuwen de wetenschappers dat de bestuiving van bloeiende planten en landbouwgewassen op het spel staat. "Tegenwoordig zitten in het stuifmeel en nectar van vele bloeiende gewassen en een onbekend deel van de wilde bloeiende planten residuen van neonicotinoïden", zegt van der Sluijs. "Een groot deel van het water dat bijen nodig hebben als drinkwater en koelmiddel voor de kast is er ook mee verontreinigd. Recente studies tonen aan dat zelfs kleine sporen van neonicotinoïden in stuifmeel, nectar of water dodelijk kunnen zijn voor bijen als ze er langdurig mee in aanraking komen."
Bij residuniveaus zoals die bij normaal gebruik ontstaan in landbouwgebieden blijken neonicotinoïden een groot aantal effecten te hebben op het gedrag en de ontwikkeling van bijen. Effecten die bij dergelijke concentraties zijn aangetoond in recente studies zijn onder meer: verstoring van het foerageergedrag, verstoring van het broed en de ontwikkeling van larven, verstoring van geheugen en leervermogen, verstoring van de kwispeldans, beschadiging van het centraal zenuwstelsel, verhoogde vatbaarheid voor infectieziekten en verstoring van het hygiënisch gedrag.
"Al deze effecten werken verzwakkend op het bijenvolk", waarschuwt de Universiteit Utrecht. "Zelfs bij zeer lage concentraties neonicotinoïden is een verhoogde vatbaarheid voor de besmettelijke bijenziekte Nosema ceranae aangetoond, de combinatie kan leiden tot volledige instorting van een volk." Dat deze middelen toch toegelaten zijn (waren), wijten de onderzoekers aan sterk verouderde protocollen voor veldstudies. "Ze houden geen rekening met gedragseffecten, lange termijneffecten en effecten op kolonieniveau", zo luidt de kritiek.
Ernstige tekortkomingen van bestaande veldstudies zijn onder meer het kleine aantal testvolken en hun kleine omvang, het regelmatig aantreffen van neonicotinoïden in de onbehandelde controlevolken, de veel te kleine afstand tussen kast en proefveld, de korte opvolgperiode, en het veel te kleine oppervlak van het proefveld.
De wetenschappers dringen er op aan om bij de risicobeoordeling voortaan het meeste gewicht te geven aan reproduceerbare gecontroleerde lab en semi-veldstudies. "De verhouding tussen de concentraties zoals je die in landbouwgebieden vindt en de concentraties waarbij in het lab geen effecten aantoonbaar zijn is een betrouwbare maat voor het risico", aldus Van der Sluijs.
Om honingbijen te beschermen, besloot de Europese Commissie vorige maand het gebruik van de drie giftigste neonicotinoiden te verbieden in de teelt van gewassen die aantrekkelijk zijn voor bijen.
Bron: Universiteit Utrecht
Beeld: Wervel/BioForum