Voedingsindustrie wil eigen klimaatinspanning volhouden
nieuwsTwee dagen voor de Vlaamse Klimaattop engageert de voedingsindustrie zich voor een CO2-besparing van 245.000 ton tegen 2030. Dit komt overeen met een daling van 15 procent ten opzichte van 2014. Tussen 1990 en 2014 realiseerde de sector reeds een CO2-reductie van 34 procent. Voedingsbedrijven hebben hun energieverbruik drastisch ingeperkt, maar met acht concrete actiepunten kan de eigen klimaatinspanning volgens sectorfederatie FEVIA Vlaanderen volgehouden worden. Als economisch ambitieuze sector stelt de voedingsindustrie wel voorop dat nieuwe maatregelen een verdere groei niet in de weg mogen staan.
In de aanloop naar de Vlaamse Klimaattop van donderdag worden de broeikasgasuitstoot en de reeds geleverde klimaatinspanningen van de verschillende sectoren onder het vergrootglas gelegd. De voedingsindustrie communiceert proactief, in de geruststellende wetenschap dat de sector al een hele weg heeft afgelegd. “De Vlaamse voedingsbedrijven hebben de voorbije jaren sterk ingezet op het reduceren van hun CO2-uitstoot en het verhogen van de energie-efficiëntie. De sector realiseerde daardoor tussen 1990 en 2014 een CO2-reductie van maar liefst 34 procent”, zegt Jan Vander Stichele, voorzitter van FEVIA Vlaanderen.
Om de ambitieuze Vlaamse klimaatdoelstellingen te halen, die rond de 35 procent CO2-reductie ten opzichte van 2005 liggen, moeten de inspanningen nog opgedreven worden. De Vlaamse voedingsbedrijven willen hun steentje bijdragen met concrete acties die tegen 2030 moeten resulteren in een CO2-besparing van 245.000 ton. In totaal zijn er acht actiepunten afgebakend. 96 voedingsbedrijven zijn toegetreden tot de energiebeleidsovereenkomst (EBO) voor energie-intensieve bedrijven. Door te investeren in energiebesparende maatregelen helpt de sector de Vlaamse CO2- en energie-efficiëntiedoelstellingen te behalen. FEVIA Vlaanderen blijft haar leden actief informeren en sensibiliseren over energiebesparende maatregelen en hernieuwbare energieproductie.
“Voedselverlies beperken en actief bijdragen aan de circulaire economie zijn twee belangrijke pijlers van ons klimaatengagement”, zegt Nadia Lapage, secretaris-generaal van FEVIA Vlaanderen. “Dat laatste gebeurt bijvoorbeeld door nieuwe hoogwaardige toepassingen voor nevenstromen te ontwikkelen. Zo kan draf, een restproduct van de bierproductie, vezels en eiwitten aan brood toevoegen en cholesterolverlagend werken. De winnaar van de FEVIA innovatiewedstrijden toonde met hun product Specornoos, een ijshoorntje op basis van broodresten, dat er nog tal van mogelijkheden zijn.”
De voedingsindustrie bestaat voor meer dan 90 procent uit kmo’s. Om bij die bedrijven veel voorkomende energiebesparende maatregelen te implementeren, bekijkt FEVIA Vlaanderen samen met het Vlaams Energieagentschap de haalbaarheid van een ‘mini-EBO’-proefproject. Door kmo’s actief te benaderen en hen te begeleiden in het toepassen van eenvoudige maatregelen wil FEVIA Vlaanderen ook hun potentieel gebruiken om de klimaatdoelstelling te realiseren.
Het standpunt van de voedingsindustrie kan je omschrijven als geëngageerd, doch waakzaam voor een mogelijk negatieve economische impact van nieuwe klimaatmaatregelen. FEVIA Vlaanderen vraagt beleidsmakers om het economisch plaatje niet uit het oog te verliezen. “Onze directe concurrenten zijn voornamelijk in andere EU-landen actief. Een ‘level playing field’ is voor onze bedrijven dan ook zeer belangrijk”, klinkt het. “Bovendien zijn CO2-besparingen en energiereductie met de huidige stand van de technologie en wetenschap eindig. Vele van onze bedrijven stoten bij hun inspanningen op de grenzen van wat technisch en economisch mogelijk is.”
FEVIA gelooft dat er moet ingezet worden op een echte energieomwenteling. Biomassa is naar verluidt onontbeerlijk voor de productie van hernieuwbare energie en biogebaseerde materialen. Voor het verstandig gebruik van biomassa laat ook de voedingsindustrie zich leiden door de cascade van waardebehoud. Eerst voeding/veevoeding, dan pas materiaal en energie. Daarover is geen discussie, maar FEVIA maakt wel deze kanttekening: “Een correcte toepassing van die cascade is een blijvend aandachtspunt om de input van voldoende grondstoffen voor de voedingsindustrie niet te hypothekeren.” Daarmee alludeert de sectorfederatie op de competitie met de producenten van hernieuwbare energie. “Een reststroom mag niet te snel afgeleid worden naar vergisting of diervoeder. Valorisatie voor humane consumptie heeft voorrang”, verduidelijkt woordvoerder Nicholas Courant.
FEVIA Vlaanderen hoopt dat bovenstaande maatregelen en de verdere inspanningen van de individuele voedingsbedrijven 245.000 ton CO2-equivalenten zullen besparen tussen 2014 en 2030. Dat staat gelijk aan een daling met 15 procent. In vergelijking met 1990 komt dit neer op een besparing van 1 miljoen ton CO2-equivalenten. De doelstelling is niet mis te verstaan, maar de toevoeging ‘zonder rekening te houden met de verdere groei van de sector’ roept vragen op. Volgens woordvoerder Courant is dat zinnetje een kwestie van transparantie: “Op vandaag kunnen we onmogelijk voorspellen hoe de sector er in 2030 zal uitzien. We hopen verder te groeien, maar wie weet krimpt de sector wel. Daarom dat we de groei van de sector expliciet benoemen als een onbekende factor.” Dat doet overigens geen afbreuk aan de ambitie van de voedingsindustrie om op een duurzame manier te groeien.
Meer info: Klimaatengagement FEVIA Vlaanderen