Sterk 2015 maar voedingsindustrie zit niet op rozen
nieuwsVorig jaar groeide de export van in België gefabriceerde voedingswaren met 3,3 procent. De voedingsbedrijven in ons land, voornamelijk KMO’s, hebben hun investeringsritme met tien procent opgevoerd. Sectorfederatie FEVIA kan opnieuw uitpakken met een werkgelegenheid die stabiel blijft in de voedingsindustrie terwijl andere industriële werkgevers van hun pluimen verliezen. Toch straalt het economisch jaarverslag maar weinig vertrouwen in 2016 uit. De voedingsindustrie is als de dood voor bijkomende kosten en taksen die de exportmotor kunnen doen sputteren. “De Brexit is bovendien slecht nieuws voor onze sector. Het Verenigd Koninkrijk is immers onze vierde grootste afzetmarkt”, aldus FEVIA-voorzitter Jean Eylenbosch.
2015 was een sterk jaar voor de Belgische voedingsindustrie. In het economisch jaarverslag van sectorfederatie FEVIA vallen de toenemende investeringslust van voedingsbedrijven op (1,43 miljard euro, wat een stijging is van 10%), de positieve handelsbalans van 3,8 miljard euro en de bijna 88.500 directe arbeidsplaatsen waarvoor de sector staat. Naast de rechtstreekse tewerkstelling zorgt de voedingsindustrie nog voor 137.000 jobs in aanverwante sectoren. De voedingsindustrie bevestigt met andere woorden zijn status als grootste industriële werkgever.
Toch kijkt FEVIA-voorzitter Jean Eylenbosch zorgelijk bij de voorstelling van het jaarverslag. In de Europese export van voedingsproducten verliezen de Belgische fabrikanten al een aantal jaren marktaandeel. Bekeken over de laatste tien jaar ging er ondanks de Belgische exporthausse 11,2 procent marktaandeel verloren omdat voedingsfabrikanten uit andere EU-lidstaten nog beter inspelen op de marktopportuniteiten in derde landen. Het Belgische aandeel in de Europese voedingsexport bedraagt 7,6 procent. Landen als Duitsland (14,9%) en Nederland (15%) slagen er beter dan België in om een groeiende export te verzilveren.
Een teken aan de wand dat de competitiviteit van de voedingsindustrie in eigen land onder druk staat, als je het Eylenbosch vraagt. Hij zoekt de verklaring bij een combinatie van factoren: de loonkostenhandicap die blijft bestaan, de vele taksen waarmee de overheid voedingsbedrijven om de oren slaat en de elektriciteitsfactuur die verdrievoudigd is in acht jaar tijd. Als bedreiging voor de competitiviteit van de sector noemt de voorzitter ook het groeiend fenomeen van grensshoppen.
Als omzetcijfer zette de voedingsindustrie vorig jaar 48,1 miljard euro neer. De trend is nog altijd beduidend positiever dan die van de verwerkende industrie in zijn geheel, maar FEVIA kon niet om de vaststelling heen dat de groei die sinds 2009 opgetekend wordt de jongste jaren afgetopt is. Pieter Weyn, econoom bij FEVIA, legt de vinger op de wonde: “Het productievolume is in 2015 met 2,6 procent toegenomen maar de producentenprijzen van voedingswaren zijn met 1,7 procent gedaald ten opzichte van 2014.”
Door de bescheiden thuismarkt van 11 miljoen consumenten realiseert de Belgische voedingsindustrie het merendeel van zijn omzet in het buitenland. Export is de motor achter de groei van de sector. Sinds 2005 is de omzet in het buitenland met 62,2 procent gestegen terwijl de verkopen in eigen land met 37,5 procent toenamen. De handelsbalans oogt rooskleurig. Het overschot van 3,8 miljard euro is het grootste in tien jaar tijd. Door de export van voedingswaren stroomt er 23,9 miljard euro naar ons land.
Chris Moris, directeur-generaal van FEVIA, situeert onze voornaamste exportmarkten vlakbij. De groei situeert zich vooral in de export naar de Oost-Europese lidstaten (+294%), maar in absolute cijfers zijn de buurlanden en bij uitbreiding de West-Europese lidstaten onze belangrijkste markten. Frankrijk, Nederland en Duitsland zijn samen goed voor 56 procent van de voedingsexport. Nog eens 9,2 procent gaat naar het Verenigd Koninkrijk. Consumenten uit West-Europa kopen 81 procent van alle Belgische voedingsproducten die de grens over gaan. Iets minder dan 15 procent heeft een verre bestemming buiten de EU en slechts 4,7 procent is bestemd voor Oost-Europa, wat het hoge groeicijfer meteen relativeert.
Verschillende markten buiten de EU blijven een enorm potentieel tonen. Belgische voedingsbedrijven exporteerden in 2015 voor een recordbedrag van 536 miljoen euro naar de Verenigde Staten (+17%). China is de meest opvallende groeimarkt (afgerond +30%). Sinds 2011 is de export naar China zelfs met 241 procent gestegen. “Ook Japan en Zuid-Korea groeien systematisch”, merkt Moris op. Toch kleurt het kaartje dat de exportgroei op verre markten moet illustreren in een aantal werelddelen rood. De uitvoer naar Rusland is ingestort (-40%), wat uiteraard te wijten is aan de handelsboycot. Het verlies in Brazilië (-11%) en Algerije (-38%) verklaart Moris door de economische crisis die de kooplust daar vermindert.
Het exportsucces van de Belgische voedingsindustrie is het resultaat van een dapper gevecht tegen de concurrentie uit de grote lidstaten. Een strijd die bovendien met ongelijke wapens wordt gestreden. FEVIA hamert op de loonkostenhandicap die na de taks-shift en de indexsprong geen 21 maar wel nog altijd 17,4 procent bedraagt. Er wordt vergeleken met onze drie buurlanden. Econoom Pieter Weyn wijst de sociale zekerheidsbijdrage van de werkgever als grootste boosdoener aan.
Behalve een bijdrage aan economie, welvaart, werkgelegenheid en handelsbalans claimt FEVIA ook een “kolossale bijdrage aan de Staatskas”. De overheid zou zelf het overzicht verloren zijn op de totaalfactuur zodat de sectororganisatie het voorrekent: “patronale RSZ-bijdragen, bedrijfsvoorheffing, vennootschapsbelasting, BTW op voeding en drank, verpakkingsheffing, accijnzen op dranken, de nieuwe gezondheidstaks, kilometerheffing, enz. Samen is dat goed voor 6,4 miljard euro aan lasten, een cijfer waarover de overheid zich zou moeten bezinnen. Het is de accumulatie van kosten en taksen die weegt op de voedingsindustrie.”
De energiefactuur van de voedingsindustrie is verdrievoudigd in acht jaar tijd. Ook de kilometerheffing is nog lang niet verteerd. “Voeding is het meest getransporteerde product over Belgische wegen. Een kwart van de ladingen van vrachtwagens boven de 3,5 ton (de categorie die onderworpen is aan de kilometerheffing, nvdr.) bestaat uit verwerkte of onbewerkte voeding”, weet Pieter Weyn. De kilometerheffing maakt transport voor de voedingsindustrie 150 miljoen euro duurder. Met de wegblokkades waarmee transporteurs protesteerden tegen de kilometerheffing heeft FEVIA nog geen rekening gehouden. Dat zou voedingsbedrijven een extra 20.000 euro per dag logistieke perikelen gekost hebben. Opdat de overheid niet te licht over het competitief nadeel door de kilometerheffing zou stappen, liet FEVIA door Transport & Mobility Leuven berekenen dat de consumentenprijzen van voeding met 1,1 procent kunnen stijgen. Ook zouden er 450 jobs door bedreigd zijn.
Extra kopzorgen heeft de voedingsindustrie door de nationalistische reflex in buurlanden en het gebrek daaraan in eigen land. Het is namelijk zo dat de Belg in 2015 723 miljoen euro aan voeding in het buitenland uitgaf. Volgens marktonderzoeksbureau GfK steeg het fenomeen grensshoppen met meer dan 42 procent sinds 2008. In een land als Frankrijk en zeker in een niet EU-lidstaat als Zwitserland wordt de consument veel sterker verleid door het voedingsaanbod van eigen bodem.
Directeur-generaal Chris Moris vreest dat het in het Verenigd Koninkrijk dezelfde toer zal opgaan nu daar gestemd is voor een ‘Brexit’. Voorzitter Eylenbosch steekt niet onder stoelen of banken dat de politieke schok de voedingssector zorgen baart, al is de precieze impact van het vertrek van de Britten uit de Europese Unie koffiedik kijken. Als je weet dat de Britse afzetmarkt voor Belgische voeding een waarde van 2,2 miljard euro weerspiegelt, is de onrust goed te begrijpen. De Britten lusten vooral onze koekjes, drinken Belgisch bier en eten zuivel, diepvriesgroenten en -aardappelen van hier. “Moeilijk gaat ook, onze voedingsbedrijven zullen zich aanpassen aan de nieuwe situatie”, maakt Jean Eylenbosch zich sterk.
Meer info: economisch jaarverslag voedingsindustrie