Grondige analyse van de risico's van vrijhandel met VS
nieuwsEen vrijhandelsakkoord tussen de EU en de VS zou de landbouwhandel tussen beide grootmachten spectaculair doen toenemen maar verandert nauwelijks iets aan de toegevoegde waarde die de agrovoedingsindustrie aan beide zijden van de Atlantische Oceaan realiseert. In de VS mag men zich verheugen over een kleine stijging van 0,4 procent terwijl men in de EU rekening moet houden met een daling van 0,5 procent. Voor de Benelux komt de prognose uit op min 0,8 procent. Een aantal sectoren hebben feller te lijden onder de concurrentie vanuit de VS: vleesveehouderij, braadkippenhouderij, graanteelt (korrelmaïs en voedergraan) en ethanolproductie. De landbouwcommissie in het Europees Parlement had aangedrongen op deze evaluatie van het TTIP.
Op vraag van de landbouwcommissie in het Europees Parlement boog een team van Franse en Duitse onderzoekers zich over de kansen en bedreigingen van een vrijhandelsakkoord tussen de EU en de VS. De agrovoedingsindustrie is in beide werelddelen een belangrijke economische sector. Toch worden er tot op heden relatief weinig landbouw- en voedingsproducten verhandeld over de Atlantische Oceaan. Ongeveer 13 procent van de Europese agrovoedingsexport gaat naar de VS. Omgekeerd komt maar acht procent van de import uit de VS. In 2012 realiseerde de EU zo een handelsoverschot van circa zes miljard euro. Maak je de vergelijking met de handelsstromen van andere industrieën, dan moet je concluderen dat de landbouwhandel tussen de EU en de VS al bij al weinig voorstelt.
Maar dat zou dus kunnen veranderen indien de Europese en Amerikaanse onderhandelaars erin slagen om tarifaire en andere obstakels voor de handel weg te nemen. De transatlantische handel zou met 40 procent toenemen indien schoon schip gemaakt wordt met importheffingen en de niet-tarifaire belemmeringen met een kwart dalen. Voor landbouw- en voedingsproducten zou het effect daarvan nog groter zijn: een stijging met 60 procent van de Europese export tegen 2025 terwijl de import uit de VS met 120 procent toeneemt. Handelsstromen die zullen pieken, zijn rood vlees (+404%), suiker (+297%), gevogelte (+289%) en zuivel (+240%). Voor deze productgroepen nemen zowel export als import toe, maar netto zal het de EU zijn die meer Amerikaanse voedingswaren zal aankopen.
De stijgingspercentages ogen spectaculair maar de auteurs van de TTIP-studie nuanceren: “Interpreteer de hoge relatieve stijgingen met de nodige voorzichtigheid want de landbouwhandel tussen de EU en de VS staat momenteel op een erg laag pitje.” Opmerkelijk is dat er meer verhandeld wordt maar de toegevoegde waarde nauwelijks veranderd: 0,5 procent daling in de EU en 0,4 procent stijging in de VS. In de EU profiteert alleen de Balkan qua toegevoegde waarde (+0,2%) van een deal terwijl de drie Baltische staten (Estland, Letland en Litouwen) de grootste verliezers zijn (-1,3%). Het zijn de producenten van gevogelte in deze drie landen die aan concurrentiekracht zullen verliezen door het openstellen van de grenzen.
In de studie worden ook de winst- en verlieskansen van de verschillende sectoren ingeschat. Het lijkt erop dat de zuivelsector een vrijhandelsakkoord met vertrouwen tegemoet mag kijken, net zoals de producenten van wijn en alcoholische dranken. Voor suiker en biodiesel liggen de kaarten niet slecht maar is er meer onzekerheid in het spel. Andere sectoren krijgen het – zonder harmonisering van de regelgeving – hard te verduren in Europa omdat ze te weinig competitief zijn. Vooral rundvleesproductie kan veel goedkoper in de VS. Hogere kosten zijn ook een probleem voor de graanboeren, braadkippenhouders en ethanolproducenten in de EU. Dat heeft te maken met verschillen in de wetgeving op het vlak van ggo’s, gewasbeschermingsmiddelen en voedselveiligheid (voor vlees).
De onderhandelaars zullen aansturen op een gelijk speelveld door een harmonisering van de Europese en Amerikaanse wetgeving. In de studie wordt gewaarschuwd voor wat je de kleinste gemene deler zou kunnen noemen: een harmonisering die afbreuk doet aan de hoge Europese standaarden en het voorzorgsbeginsel ondermijnt dat de EU traditioneel hanteert. Hoewel de Duitse en Franse onderzoekers toegeven dat de transatlantische dialoog de jongste jaren reeds tot mooie resultaten heeft geleid (o.a. wederzijdse erkenning van producten met het biolabel), zijn ze in hun conclusies behoorlijk kritisch.
“Anders dan met het Blaire-House-akkoord uit 1992 zijn de meningsverschillen deze keer niet van die aard dat ze met handelstoegiften opgelost kunnen worden”, klinkt het. “Deze keer gaat het dikwijls om fundamenteel verschillende visies, bijvoorbeeld over de rol van de overheid of over de houding tegenover risico’s en het voorzorgsprincipe dat daarmee samenhangt. Die verschillen steken zowel in multilaterale contacten (WTO, Codex Alimentarius) als in bilaterale akkoorden met derde partijen de kop. De VS gaat dan steevast een wetenschappelijk onderbouwde risicobeoordeling verdedigen, evenals de erkenning van intellectuele eigendomsrechten. Europa heeft eerder oog voor het respecteren van de herkomstbenamingen voor typisch Europese voedingswaren, dierenwelzijn, enz.
Meer info: TTIP-studie