"Duurzame palmolie is een lachwekkend verhaal"
nieuwsPalmolie is de rendabelste teelt ter wereld en het favoriete aandeel van beursexperts, want de wereldwijde voedingsindustrie zal er in de toekomst alleen maar meer van willen. Maar de palmolie-industrie heeft een donkere keerzijde. Tot die vaststelling kwam De Standaard-journaliste Dorien Knockaert tijdens haar reis door Indonesië en Maleisië.
De palmvrucht is op korte tijd uitgegroeid tot één van de meest controversiële voedingsgewassen. De Standaard-journaliste Dorien Knockaert trok naar het epicentrum van de palmteelt, en schreef er een reportage over. Op het Indonesische en Maleisische platteland staat alles in het teken van palmolie. De jongste tien jaar heeft de vrucht omwille van zijn stevige, vaste structuur dan ook enorm terrein gewonnen in de voedingsindustrie, maar ook daarbuiten.
De palmpitolie, afkomstig uit de spierwitte pit is geschikt voor cosmetica, zeep en wasmiddel of chocoladeglazuur. De alomtegenwoordige palmolie komt uit het vruchtvlees en vormt de basis voor een eindeloze waaier aan voedingstoepassingen zoals koekjes, margarine, bakolie, chocopasta’s, melkpoeder en als grondstof voor onder meer biodiesel. In onbewerkte staat is de palmolie al halfvast van textuur. Bovendien is ze makkelijk te ontkleuren, te ontgeuren en op te slaan.
Volgens de Deense palmboer Carl Bek-Nielsen die in Maleisië is gevestigd, is palmolie bovendien de olie met de laagste ecologische impact: "Om een ton olie te produceren, heb je 22 hectare soja nodig, 2 hectare zonnebloemen of olijfbomen, 1,52 hectare koolzaad en slechts 0,26 hectare oliepalmbomen. Palmolieplantages maken wereldwijd maar 0,96 procent uit van alle aangeplante landbouwoppervlakte, maar ze leveren wel 32 procent van alle vetten voor onze voeding op."
Maar dat is slechts een deel van het verhaal, aldus Knockaert. Al dan niet beschermd regenwoud moet massaal baan ruimen voor nieuwe palmplantages. "Oliepalmen brengen vijftig keer meer op dan regenwoud. Als het regenwoud zal verdwijnen, dan is dat simpelweg omdat zijn waarde te laag is", zo klinkt het op het Maleisische departement voor Bosbouw. Alleen al tussen 2009 en 2011 verloor het Indonesische Sumatra een half miljoen hectare bos: ongeveer twee keer de provincie Antwerpen. De systematische ontbossing en drainage zorgen ervoor dat Indonesië op twee landen na de grootste CO2-uitstoot ter wereld heeft.
Niet alleen de rook van de bosbranden brengt enorme massa's broeikasgas in de atmosfeer. Ook de veenlanden laten gevaarlijk veel CO2 los wanneer ze worden drooggelegd door de palmolie-industrie, omdat hun natuurlijke bodemsamenstelling zich dan ontbindt. Door het droogleggen droogt de veenbodem op en wordt turf: sponzig en extreem brandbaar materiaal. De meeste branden zijn volgens Greenpeace opzettelijk aangestoken.
Grote palmoliemultinationals zoals Wilmar, dat 45 procent van de markt controleert en levert aan onder meer Côte d'Or en Vandemoortele, gaan er prat op dat ze op hun plantages nooit vuur gebruiken. Maar ze vullen hun eigen olie wel aan met wat ze kopen bij lokale bedrijven, die ze niet controleren en ook niet traceerbaar maken. En die kleinere spelers gedragen zich veel roekelozer, zegt Greenpeace.
De milieuorganisatie benadrukt dat het op zich niets tegen palmolieplantages heeft: "We erkennen dat ze belangrijk zijn voor de economische ontwikkeling van Indonesië. Maar we denken dat de sector ook op een meer verantwoorde manier kan groeien. Om te beginnen, kan de opbrengst van de al bestaande plantages nog sterk worden verhoogd, als bedrijven meer inzetten op verfijning en technologie. En als je toch nog een nieuwe plantage wilt aanleggen, beperk je dan tot stukken land met een lagere ecologische waarde.
Een andere milieuorganisatie, WWF, kon enkele grote spelers uit de palmolie-industrie overtuigen om samen, in overleg met ngo's, een sociale en ecologische gedragscode op te stellen. Wie lid is van de organisatie, kan plantage per plantage afstemmen op de criteria van het Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO)-certificaat. Dat vereist onder meer dat het bedrijf alle diersoorten en bossen met een 'hoge conservatiewaarde' beschermt, en niet systematisch grond afbrandt. Toch is ontbossing onder voorwaarden nog mogelijk, en blijft het toegestaan om veengrond droog te leggen.
Volgens palmoliebedrijven blijkt er echter nauwelijks vraag te zijn naar de zogenaamde duurzame palmolie: "Alle grote voedingsmultinationals zeggen al een tijdje dat ze graag willen betalen voor duurzame palmolie, maar daar merken wij in hun aankoopbeleid bitter weinig van. Voor een ton ongecertificeerde olie konden we in 2013 zo'n 800 dollar vragen, voor gecertificeerde 804. Is dat niet lachwekkend?", vraagt de Deense palmboer Bek-Nielsen zich af.
Bron: De Standaard