Bij pesticidenresidu verschilt perceptie van realiteit
nieuwsTwee weken geleden bracht Test-Aankoop de resultaten naar buiten van residumetingen in 40 stuks appels en peren uit Belgische supermarkten. De maximale residulimieten werden allemaal netjes gerespecteerd. In schril contrast met dat positief nieuws werd de consument vanwege het aantal actieve stoffen op één vrucht bang gemaakt voor “een chemische cocktail”. Op een ontmoeting van Phytofar, de vereniging van de Belgische gewasbeschermingsmiddelenindustrie, met de landbouwpers werd daarover nagepraat. “De meettechnieken van laboratoria evolueren voortdurend. Wat vandaag niet meetbaar is, is dat misschien morgen wel en overmorgen zeker”, legt Peter Jaeken (Phytofar) uit waarom het terugvinden van een minuscuul residu steeds minder relevant is in het licht van de voedselveiligheid.
Het bewustzijn in verband met gewasbeschermingsmiddelen is veranderd. Decennia geleden lagen fabrikanten en gebruikers alleen wakker van de effectiviteit van een sproeistof ten opzichte van een ziekte, plaag of onkruid. Tegenwoordig staat (eco-)toxiciteit heel hoog op het verlanglijstje bij het onderzoek naar en de ontwikkeling van een nieuw middel. De aandacht voor een juist gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is evenredig gestegen. Desalniettemin lijkt het perceptieprobleem groter dan ooit. Goedele Digneffe, voorzitter van de Belgische vereniging van de gewasbeschermingsmiddelenindustrie (Phytofar), rekent het zelfs tot de taken van de sectorfederatie om op te boksen tegen de negatieve perceptie rond ‘pesticiden’.
Secretaris-generaal Peter Jaeken grijpt terug naar een enkele jaren oude Eurobarometer-enquête om het wantrouwen bij de publieke opinie te verklaren. “De Belg heeft een behoorlijk groot ‘trauma’ overgehouden aan zijn lessen chemie. Ondanks het economisch belang van de chemische cluster in ons land – de gewasbeschermingsmiddelenindustrie realiseert op zijn eentje een positieve handelsbalans van 840 miljoen euro – is er veel argwaan.” Als dat bij de chemiesector in zijn geheel al speelt, dan spreekt het vanzelf dat de Belg zich ook zorgen maakt over gewasbeschermingsmiddelen en residu’s daarvan op voeding. De sector zou die onrust wel willen wegnemen maar communicatie over dit onderwerp vanuit de industrie wekt weinig vertrouwen bij de burger.
Tijdens een ontmoeting tussen de Belgische Vereniging van Landbouwjournalisten (BVLJ) en Phytofar nam de industrie de gelegenheid te baat om proactief te communiceren. Zo werd er een grafiek getoond die illustreert dat de productdosissen per hectare in 64 jaar tijd door 34 gedeeld zijn. Belangrijk voor de perceptie bij het grote publiek maar zelf hecht Jaeken niet zoveel belang aan deze indicator. De eco-toxiciteit van een middel is naar verluidt veel belangrijker dan de grammen actieve stof per hectare. “Door een aantal breed werkende biologische middelen stijgt de dosis per hectare weer”, maakt Jaeken zijn punt.
Vervolgens zet hij de aanvaardbare dagelijkse inname van een chemische stof op een tijdslijn uit om aan te tonen dat het toxicologisch profiel van gewasbeschermingsmiddelen in de loop der jaren voortdurend verbeterd is. Peter Jaeken brengt de fytolicentie in herinnering om aan te geven dat de sector samen met de gebruikers ook een lange weg heeft afgelegd in het verminderen van de blootstelling. Dat is minstens zo belangrijk als het produceren van veiligere gewasbeschermingsmiddelen. Hun toepassing houdt namelijk alleen een risico in wanneer mens of milieu aan het middel blootgesteld worden.
Van het budget dat de gewasbeschermingsmiddelenindustrie wereldwijd spendeert aan onderzoek en ontwikkeling staat een steeds groter aandeel in het teken van producten die reeds op de markt zijn. Na de verkoop van een sproeistof aan de eindgebruiker is de kous niet af, ‘stewardship’ is de verzamelterm die de gewasbeschermingsmiddelenindustrie bedacht voor alle inspanningen die nadien nog gebeuren om de markttoelating te vrijwaren door een goed gebruik te promoten.
In het licht van al die inspanningen is het nogal zuur dat de fruitteelt recent door een consumentenorganisatie te kijk werd gezet omdat er op een kwart van de 40 geteste vruchten residu’s van vier of meer chemische stoffen werden teruggevonden. Test-Aankoop hield er geen rekening mee dat de maximale residulimieten gerespecteerd werden maar zette de aanval in met taalgebruik als “een chemische cocktail”. Dat klinkt angstaanjagend voor iemand die niet weet hoe residumetingen gebeuren. Jan Vermaelen weet wel beter. Hij engageert zich voor de stuurgroep Duurzaam gebruik bij Phytofar. “Labo’s kunnen steeds meer actieve stoffen opsporen en hun detectielimiet daalt voortdurend. Tegenwoordig spoort men niet naar ppm (parts per million) maar naar ppb (parts per billion), wat waanzinnig weinig is.”
Vermaelen wijt het aan profileringsdrang dat sommige winkelketens naar het voorbeeld van de consumenten- en milieubeweging over het aantal actieve stoffen vallen. De maatschappij verliest uit het oog dat een teler over een aantal actieve stoffen moet kunnen beschikken om resistentieproblemen bij onkruiden, ziekten en plagen te vermijden. Bovendien worden gewasbeschermingsmiddelen steeds specifieker zodat de teler actieve stoffen mengt. Is het terugvinden van meerdere residu’s op één vrucht door die nieuwe bestrijdingsstrategie dan slechter dan de plantage ‘opkuisen’ met één breed werkend middel, volgens Vermaelen niet.
De monitoring van verse voedingswaren door het Voedselagentschap wees uit dat de maximale residulimieten in 97 procent van de gevallen gerespecteerd worden. Dat is een heel goed resultaat als je het Phytofar vraagt, “maar we streven naar nog beter”. Toch lijkt Peter Jaeken niet helemaal gerust in de maatschappelijke discussie over het ‘cocktaileffect’ van chemische stoffen. Door steeds preciezere meettechnieken moet je volgens hem vragen gaan stellen bij de relevantie van de residuen die nog gemeten worden. En wie meent dat er desondanks sprake kan zijn van een gecombineerd schadelijk effect mag zelf opperen hoe de fabrikanten of de overheid de miljoenen combinaties moeten testen die je alleen al met 20 actieve stoffen kan maken.
Jan Vermaelen, lid van de stuurgroep en in het dagelijks leven actief bij Belchim Crop Protection, merkt op dat MRL’s vaak fout begrepen worden. Een hoge maximale residulimiet geeft aan dat de stof in kwestie minder schadelijk is voor de gezondheid dan een stof met een heel lage residulimiet. De perceptie is volgens hem anders. Henk Decraecke van Syngenta drukt ons op het hart dat er meer natuurlijke stoffen zijn waarvan geweten is dat ze giftig zijn dan chemische stoffen. “Twintig jaar geleden werd op een congres voor dokters al gezegd dat het veel beter is om behandelde groenten en fruit te eten dan om er geen te eten. Weet trouwens dat er op je bestek veel meer residu’s van vaatwasmiddelen te vinden zijn dan dat er residu’s van gewasbeschermingsmiddelen op voeding zitten.”
Gezonde groenten zoals een tomaat en framboos zijn naar verluidt het beste voorbeeld van de nuance die op zijn plaats is. Ze bevatten namelijk allebei behalve nuttige stoffen ook natuurlijke stoffen die intrinsiek giftig zijn. Vraag is of er in het brede maatschappelijke debat over 'pesticiden' veel oog gaat zijn voor nuance. Bij Phytofar lijken ze te beseffen dat daar een moeilijke taak in de communicatie wacht. “We lieten ons al adviseren door mediaspecialisten maar niemand heeft een wonderoplossing. Een aantal middenveldorganisaties hebben hun ‘businessmodel’ geënt op de strijd tegen pesticiden. Zij creëren met scheefgetrokken vergelijkingen een angstcultuur die contraproductief is want mensen zouden net meer groenten en fruit moeten eten. Als sector krijg je dat over je heen, maar we verliezen er de moed niet door. We blijven voortwerken aan het correct informeren over gewasbeschermingsmiddelen.”
Beeld: Bayer Forward Farming