Aantal dagvlinders met 50 pct gedaald in EU sinds 1990
nieuwsDe populatie graslandvlinders is sinds 1990 met bijna de helft afgenomen. Dat blijkt uit een 22 jaar durende studie in 19 Europese landen, waaronder België. Intensieve landbouw en de ontvolking van het platteland in Oost- en Zuid-Europa waardoor graslanden niet meer worden onderhouden en dichtgroeien, liggen aan de oorzaak. De achteruitgang betekent ook dat het niet goed gaat met andere insecten, want dagvlinders zijn graadmeters voor hun omgeving.
Door de veranderingen in de aantallen vlinders goed in de gaten te houden, heeft de EU de mogelijkheid veranderingen in biodiversiteit te volgen. Daarvoor wordt gebruikgemaakt van vlindermeetnetten in 19 Europese landen. Samen telden al deze landen 3.500 vlinderroutes. De meeste routes worden per jaar tussen de vijf en twintig keer geteld en zijn één tot drie kilometer lang. Op de routes telden de waarnemers steeds minder graslandvlinders.
"De dramatische daling van graslandvlinders moet een alarmbel laten rinkelen", waarschuwt de Belgische professor Hans Bruyninckx, directeur van het Europees Milieuagentschap (EEA). "De Europese graslanden krimpen en als we er niet in slagen om die habitats te behouden, kunnen we veel graslandvlinders definitief verliezen." Het EEA roept op om stil te staan bij het belang van vlinders, en andere insecten, voor de bestuiving van planten, essentieel dus voor een natuurlijk ecosysteem en de landbouw.
De afgelopen 22 jaar werden zeventien verschillende soorten, zeven algemene en tien zeldzame, in negentien Europese landen bestudeerd. Ook in België liepen vrijwilligers, onder coördinatie van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, vaste routes af. Uit de resultaten blijkt dat op Europese schaal acht soorten achteruitgingen, twee stabiel bleven en slechts één soort erop vooruit ging, voor zes soorten was de trend onduidelijk.
Van de Europese soorten die in ons land voorkomen, gaat het hooibeestje achteruit, net als de argusvlinder. “Die laatste soort was tot in de jaren negentig zeer algemeen, maar komt nu enkel in de West-Vlaamse polders, het Antwerpse havengebied en Zuidoost-Limburg voor”, verduidelijkt Dirk Maes (INBO). Het oranjetipje blijft stabiel, net als het bruin dikkopje en het dwergblauwtje, die enkel in kalkgraslanden in Zuidoost-Limburg voorkomen. Het klaverblauwtje gaat vooruit, mogelijk een gevolg van de klimaatopwarming.
Meer informatie: The European Grassland Butterfly Indicator 1990-2011
Bron: Belga/eigen verslaggeving