Innoveren met tomatenvaccin en agriculture conservation
nieuwsOm de twee jaar reikt het Phytofar Instituut een wetenschappelijke en professionele prijs uit aan innovaties die de landbouw verduurzamen. De geldprijs van twee keer 7.500 euro gaat naar een onderzoeksteam dat een vaccin ontwikkelde tegen het Pepinomozaïekvirus in de tomatenteelt en naar een Waalse akkerbouwer-sierteler die zijn teelttechnieken volledig afstemde op een gezonde bodem en een biodivers akkerlandschap.
Het Phytofar Instituut voor Onderzoek en Ontwikkeling van een Duurzame Landbouw reikte in Brussel voor de zevende keer een prijs uit aan twee projecten die bijdragen aan een duurzame landbouw. Phytofar, de Belgische vereniging van de gewasbeschermingsmiddelenindustrie, financiert de geldprijs, "maar het wetenschappelijk comité oordeelt totaal onafhankelijk en strikt wetenschappelijk", drukte professor-emeritus (UGent) en vice-voorzitter André Huyghebaert alle aanwezigen op het hart.
Uit 11 ingediende projecten selecteerde de jury van het Phytofar Instituut twee winnaars. De onderzoekers Inge Hanssen (Scientia Terrae - DCM), Lieve Wittemans (Proefstation voor de Groenteteelt) en Rob Moerkens (Proefcentrum Hoogstraten) slepen de wetenschappelijke prijs in de wacht voor het vaccin dat zij ontwikkelden tegen een veel voorkomend virus in de tomatenteelt. Het Pepinomozaïekvirus veroorzaakt al een tiental jaren problemen. De vruchten zien er 'gemarmerd' uit van kleur en zijn daardoor onverkoopbaar hoewel er verder niets mis mee is. Naast dit kwaliteitsprobleem laten besmette planten het ook qua opbrengst (-4 tot 12%) afweten. In extreme gevallen loopt de schade op tot 70.000 euro per hectare.
Het virus is in alle belangrijke productiegebieden voor tomaten aanwezig. In intensieve teeltgebieden zoals België en Nederland is 50 tot 100 procent van de bedrijven besmet. Op vraag van de tomatentelers sloegen drie Vlaamse onderzoekscentra (Scientia Terrae, Proefcentrum Hoogstraten en Proefstation voor de Groenteteelt in Sint-Katelijne-Waver) in 2005 de handen in elkaar op zoek naar een oplossing. De Vlaamse overheid en de tuinbouwsector (veilingen en toeleveranciers) financierden hun werk. Zes jaar onderzoek leidde uiteindelijk tot een vaccinatiestrategie waarbij tomatenplanten in een jong stadium gevaccineerd worden met een milde PepMV-variant om het gewas te beschermen tegen latere infecties met agressieve varianten.
Voor het op de markt brengen van het tomatenvaccin, dat PMV-01 gedoopt werd, zochten de onderzoekspartners steun bij het bedrijf De Ceuster - DCM. Samen slaagden zij erin om de noodzakelijke registratie van het vaccin, dat door de regelgever als een gewasbeschermingsmiddel beschouwd wordt, op Europees niveau aan te vragen. Dat neemt vier jaar in beslag, en maakt het vaccin samen met de nauwgezette kwaliteitscontrole ook vrij duur. In België en Nederland wordt PMV-01 al legaal toegepast gelet op de urgentie van de problematiek en het gebrek aan alternatieven om het virus onder controle te houden. Dit seizoen werd het tomatenvaccin door Belgische en Nederlandse glastuinders op 440 hectare toegepast. De interesse in andere landen is groot.
De professionele prijs gaat naar het project 'L'agriculture de conservation', ingediend door landbouwer Claude Henricot, in samenwerking met zijn zoon Damien en Christophe Versailles. Ruim twaalf jaar geleden heeft hij ervoor gekozen om op zijn bedrijf nabij Louvain-La-Neuve duurzame landbouwpraktijken toe te passen. Door jarenlang intensief de grond te bewerken, was de humuswaarde van de bodem laag en de structuur ondermaats. Daarom schakelde Henricot over van intensieve naar wat hij zelf noemt "eco-intensieve landbouw", met veel aandacht voor een gezonde bodem.
De ploeg bleef aan de kant en hij koos voor minimale bodembewerking. De teeltrotatie werd verruimd en meer gevarieerd en groenbedekkers kregen er een belangrijke plek in. De grond bedekt houden, verbetert de bodemvruchtbaarheid en gaat erosie tegen. Er gaat geen week voorbij zonder dat hij zijn percelen observeert, met de schop bij de hand. De eerste vier jaar moest Henricot doorbijten, en zoeken naar een juist evenwicht en de goede technieken. Vandaag plukt hij de vruchten van de vruchtbare bodem, de hagen, de bloemenranden en de nestkastjes die de biodiversiteit bevorderen. "Qua rendement zit ik bij de betere akkerbouwers", vertelt Henricot, "en tezelfdertijd bespaar ik op mankracht, brandstof, gewasbescherming en meststoffen."
Het organische stofgehalte van zijn percelen is in twaalf jaar tijd gestegen van 1,8 naar 2,8 procent, met uitschieters tot 3,6 procent. "Het gemiddelde in mijn regio in Waals-Brabant is 1,1 procent", voegt hij er aan toe. Henricot verduidelijkt dat hij geen bioboer is. "Gewasbescherming zet ik in waar het nog nodig is. Zo laat ik de zaadomhulling met insecticiden bij suikerbieten weg omdat ik geloof in het evenwicht dat je kan creëren tussen goede en schadelijke insecten. Bij de sierplanten voer ik wel een bestrijding uit gelet op de wensen van de consumenten. Dankzij het uitstekende koolstofgehalte van de bodem heb ik bijvoorbeeld ook geen problemen met rhizoctonia bij suikerbieten, en hoef ik geen tolerante variëteit te zaaien die minder opbrengt."