nieuws

Waarom verdienen hardwerkende boeren hun boterham niet?

nieuws
Nadat De Standaard-correspondenten Inge Ghijs en Dorien Knockaert de kans kregen zich een half jaar te verdiepen in onze voeding en de manier waarop die geproduceerd wordt, maken ze een slotbeschouwing op. In hun zoektocht naar een antwoord op de vraag waarom hardwerkende boeren hun boterham niet verdienen, stuiten ze op kleinschalige initiatieven waarbij er durf getoond wordt om van de geijkte paden af te stappen. “Leve de doeners”, luidt hun slotconclusie. Volgens Fairtrade Belgium ligt de hefboom voor een eerlijkere markt echter in de eerste plaats bij bedrijven die hun grote marktmacht durven inzetten in functie van een betere wereld.
22 juli 2015  – Laatst bijgewerkt om 14 september 2020 14:31
Lees meer over:

Nadat De Standaard-correspondenten Inge Ghijs en Dorien Knockaert de kans kregen zich een half jaar te verdiepen in onze voeding en de manier waarop die geproduceerd wordt, maken ze een slotbeschouwing op. In hun zoektocht naar een antwoord op de vraag waarom hardwerkende boeren hun boterham niet verdienen, stuiten ze op kleinschalige initiatieven waarbij er durf getoond wordt om van de geijkte paden af te stappen. “Leve de doeners”, luidt hun slotconclusie. Volgens Fairtrade Belgium ligt de hefboom voor een eerlijkere markt echter in de eerste plaats bij bedrijven die hun grote marktmacht durven inzetten in functie van een betere wereld.

“De boeren klagen”, zo begint het artikel van Ghijs en Knockaert in De Standaard. “Het is te warm of te koud, te nat of te droog. De melkprijs zakt, de aardappelen brengen niets op. Groene jongens pakken hun landbouwgrond af omdat ze meer natuur willen en Europa vindt dat de boeren te veel mest produceren, de omgeving vervuilen met ammoniak, nitraten en fosfaten waardoor ze nog meer moeten investeren in nieuwe stallen of zelfs moeten opkrassen.”

Een eerste vraag die de correspondenten zich stelden toen ze de vele paradoxen op ons bord trachtten te ontleden, was of er nog wel landbouw moet zijn in het dichtbevolkte Vlaanderen. “Dat bleek een onzinnige vraag, want het zou betekenen dat we voor onze voedselprijs volledig afhankelijk worden van andere landen. Bovendien riskeren we zo 15 jaar strijd voor voedselveiligheid en minder pesticide- of hormoongebruik overboord te gooien”, klinkt het. Ze ontdekten ook dat subsidies en landbouw geen evidentie zijn. “De varkensboeren, groente- en fruittelers krijgen niets. Bovendien blijkt de steun erg ongelijk verdeeld en vaak zijn het de grootste bedrijven die het meeste krijgen. De rechtstreekse inkomenssteun wordt ook afgebouwd door Europa.”

Het werd de journalistes ook duidelijk dat de boeren geen vragende partij zijn voor subsidies. Ze krijgen liever een eerlijke prijs voor hun producten, maar die eerlijke prijs is nu net het probleem. “De boer heeft op geen enkele manier iets te zeggen over de prijs die hij voor zijn product ontvangt. Als hij niet tegen een lage prijs wil verkopen, dan staan er honderden andere boeren klaar om dezelfde bloemkool of dezelfde varkensworst te leveren. En een paar maanden wachten op betere prijzen kan niet, want dan is de bloemkool bedorven en het varken te dik”, leggen Ghijs en Knockaert hun vinger op de wonde.

Volgens hen is wat de boer ontvangt een vertaling van de machtsverhoudingen in de keten. De verwerkers en groothandelaars staan immers een pak sterker. “Onbegrijpelijk is de uitleg die de retail geeft voor de lage prijs. De consument wil zogezegd niet meer betalen. Alsof de consument ooit zelf bepaalt wat hij voor een komkommer of een kilo asperges wil geven”, schrijven ze. Ze vinden het dan ook vreemd dat de boer de enige blijkt te zijn die met verlies mag verkopen. “Als we dat in vraag stelden, kregen we steevast als antwoord dat je de gemiddelde prijs van een stuk vlees of een krop sla niet kunt berekenen omdat elk landbouwbedrijf een andere kostenstructuur heeft. Dat is een drogreden”, luidt het.

Ook de bewering dat de melkprijs in Nieuw-Zeeland wordt bepaald en de varkensprijs in Duitsland omdat het nu eenmaal een internationale markt is, klopt volgens De Standaard niet. “Hoe verklaar je dan dat de Vlaamse boer voor hetzelfde varkensvlees een pak minder krijgt dan zijn Franse of Nederlandse collega? En waarom ontvangt de Vlaamse boer 27 cent voor een liter melk en zijn Italiaanse collega 35 cent? Waarom moeten we eigenlijk ook voor die internationale markt produceren?”, vragen de journalistes zich af.

“Veel economen, landbouwdeskundigen en zelfs Boerenbond noemen die vraag naïef of dom, want export is natuurlijk belangrijk voor de handelsbalans.” Schaalvergroting en specialisatie worden vaak genoemd als antwoord op de dalende marges. Die zou ook nodig zijn om de wereld te voeden, want de vraag naar voedsel zal spectaculair stijgen als gevolg van de toenemende bevolking en welvaart. Andere experts zetten zich dan weer duidelijk af tegen schaalvergroting. “Geestelijke aderverkalking”, noemde Jan Douwe van der Ploeg van de Wageningen Universiteit die redenering. “Een mythe”, meent Hilal Elver, de VN-rapporteur voor voedsel. “Uit tal van onderzoeken blijkt dat kleinere gemengde boerenbedrijven productiever zijn, het financieel een pak beter doen en beter tegen crisissen bestand zijn.”

Inge Ghijs en Dorien Knockaert wijzen er ook op dat de problemen van de Vlaamse landbouw niet exclusief Vlaams zijn. Ook in Afrika of Azië kunnen boeren nauwelijks rondkomen. Stef Aerts van Hogeschool Odisee vat het als volgt samen: “Zolang we massaal voedsel over de wereld transporteren, voeding als gewoon consumptieartikel beschouwen en vasthouden aan het liberale vrijemarktdenken, zullen we de problemen in de landbouw niet oplossen”. Ook Hilal Elver stelt dat voedselveiligheid niet kan overgelaten worden aan de vrije markt. “Maar hoe maak je dat duidelijk aan de machtige financiële instellingen en wereldhandelsorganisaties die alleen in het kapitalisme geloven?”

In hun zoektocht naar een antwoord op hun vragen stuiten de journalistes op een aantal “doeners”. “Terwijl wij ons hoofd braken over de Europese voedingspolitiek, de strategie van de grote boerenbonden en het interessantste landbouwonderzoek, werden we geregeld uit onze papieren wereld gehaald door doeners die in het veld aan de slag gingen met een idee dat op zijn minst het proberen waard leek.” In dat kader worden onder meer de Antwerpse markt Marta, de online boerenmarkt Fermet, de biologische boerenwinkel The Food Hub, de Antwerpse Stadsboerderij en het Gents Spilvarken genoemd.

Knockaert geeft toe dat er een tijd geweest is dat ze niet zoveel had met de hang naar lokaal eten. “Lokaal is gezellig, maar vaak is het een marketingpraatje. En soms is het gewoon bekrompen”, was haar initiële idee. “Maar het afgelopen half jaar veranderde dat. Lokaal eten gaat er misschien vooral om dat boeren de sprong in het ongewisse wagen en eten durven te maken dat voor de supermarkten te nieuw, te duur, te avontuurlijk of te kleinschalig geproduceerd is. Omdat ze idealen najagen en erop vertrouwen dat er klanten zijn die die idealen delen. Het gaat erom dat ze die klanten vinden, en wij hen”, concludeert ze.

Lily Deforce, directeur van Fairtrade Belgium, trekt deze conclusie in twijfel in een reactie op het artikel in De Standaard. “Kleinschalige initiatieven zijn ontzettend belangrijk: vaak zetten ze mens en planeet centraal en spreken ze de klanten aan die deze idealen delen. Deze initiatieven tonen dat het anders kan. Maar hun groep klanten blijft jammer genoeg te klein om duurzaamheid uit de niche te halen”, klinkt het. Ze deelt echter wel de conclusie dat de problemen in de Vlaamse landbouw niet uniek zijn. “Wereldwijd voeren boeren en hun organisaties een strijd voor marktspelregels die duurzaamheid borgen en boeren een kostprijsdekkende prijs bieden.”

Volgens Deforce kan men op dit vlak iets leren van fairtrade. “Fairtrade staat momenteel voor een mondiale goederenmarkt met een waarde van zes miljard euro per jaar. Een paar miljoen kleinschalige boeren en hun families in 70 landen produceren meer dan 27.000 producten. Fairtrade boeren en boerinnen uit het zuidelijk halfrond leveren kwaliteitsvolle voedingsproducten voor organisaties als wereldwinkels, maar ook en in stijgende mate voor supermarkten, KMO’s en multinationale merken.”

Fairtrade in België is een groeiende markt, maar nog steeds blijven de volumes klein. In Zwitserland, waar coöperatieve supermarkten de toon zetten, bereikt fairtrade marktaandelen van meer dan 50 procent. “Het succes van die landen om een hefboom te zijn voor fairtrade ligt in de eerste plaats bij het engagement van een aantal bedrijven om van duurzaamheid hun corebusiness te maken in samenwerkingsverbanden met hun leveranciers en met boerenorganisaties. Supermarkten hebben het vandaag moeilijk. Toch zijn zij de aangewezen markspeler om initiatief te nemen en om duurzaamheid in een stroomversnelling te zetten”, meent Deforce.

De hefboom voor een eerlijkere markt ligt volgens de directeur van Fairtrade België dan ook in de eerste plaats bij bedrijven die hun grote marktmacht durven in te zetten in functie van een betere wereld. “Samen met andere ontwikkelingsorganisaties als Vredeseilanden pleiten wij voor partnerschappen tussen boerenorganisaties, fabrikanten en supermarkten, in functie van werkbare enthousiasmerende oplossingen die boeren en burgers verbinden op grote schaal”, klinkt het nog.

Bron: De Standaard/eigen verslaggeving

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek