nieuws

Waar is het misgelopen met aanvaarding ggo's in Europa?

nieuws
Genetisch gemodificeerde gewassen worden regelmatig aangemeld voor de Europese autorisatieprocedure, maar daar blijft het meestal ook bij. Aanvragen leiden telkens weer tot een impasse want Europa weet nog altijd niet of het ggo’s wil toepassen in de landbouw dan wel volledig wil bannen. Volgens onderzoekster Linde Inghelbrecht (UGent – ILVO) komt dat omdat de goedkeuringsprocedure gebaseerd is op een specifieke visie op de technologie en hoe we ermee om moeten gaan. Bovendien blijven ggo-gewassen sterk gecontesteerd en heeft het debat een bijzonder bitsige toon. In haar doctoraat bekeek Inghelbrecht de problematiek als een ‘wicked problem’, dat wil zeggen een hardnekkig probleem waarbij elke poging tot oplossing nieuwe aspecten van het probleem blootlegt.
25 april 2016  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:27
Lees meer over:

Genetisch gemodificeerde gewassen worden regelmatig aangemeld voor de Europese autorisatieprocedure, maar daar blijft het meestal ook bij. Aanvragen leiden telkens weer tot een impasse want Europa weet nog altijd niet of het ggo’s wil toepassen in de landbouw dan wel volledig wil bannen. Volgens onderzoekster Linde Inghelbrecht (UGent – ILVO) komt dat omdat de goedkeuringsprocedure gebaseerd is op een specifieke visie op de technologie en hoe we ermee om moeten gaan. Bovendien blijven ggo-gewassen sterk gecontesteerd en heeft het debat een bijzonder bitsige toon. In haar doctoraat bekeek Inghelbrecht de problematiek als een ‘wicked problem’, dat wil zeggen een hardnekkig probleem waarbij elke poging tot oplossing nieuwe aspecten van het probleem blootlegt.

Om de impasse rond het ggo-probleem te begrijpen, ontleedde onderzoekster Linde Inghelbrecht (UGent-ILVO) de relatie tussen de technologie en de Europese landbouwpraktijk op een meer systemisch niveau. “Hoe verleidelijk het ook is om altijd vanuit een oplossingsgericht stappenplan te willen denken, hier is het nodig om eerst vanuit verschillende invalshoeken te begrijpen hoe de impasse zich vormt. Dat vraagt om dieper na te denken over de relatie tussen technologie, wetenschap en politiek”, verduidelijkt ze.

“De felle discussie over ggo-gewassen in de Europese Unie is mede het gevolg van hoe wij naar technologie kijken: als iets dat enkel functioneel is, dat je alleen maar gebruikt”, ondervond Inghelbrecht. “De realiteit is echter complexer. Technologie verandert immers ook onze blik op de werkelijkheid. Zo verandert de ggo-technologie bijvoorbeeld onze perceptie over landbouw omdat bij ggo’s de controleerbaarheid van landbouwpraktijken op de voorgrond treedt.”

Vijf verklaringen vond ze waarom genetisch gemodificeerde gewassen zo sterk gecontesteerd zijn in de Europese landbouw, en waarom het debat een bitsige toon heeft. Ten eerste zien zowel voor- als tegenstanders van ggo’s de technologie als iets ‘buiten’ onze menselijke sfeer. Ofwel zien we de technologie als een instrument dat geheel zijn eigen leven gaat leiden (technologisch determinisme), ofwel als een instrument dat volledig neutraal is en vrijelijk gebruikt kan worden door de mens zonder enige effect op ons menselijk denken en doen (technologisch instrumentalisme).

Dergelijke ‘externe houding’ ten opzichte van technologie leidt volgens Inghelbrecht tot een debat waar de technologie alleen maar aanvaard of afgewezen kan worden, als een ja/neen-vraagstuk. “Daarbij wordt er onvoldoende aandacht besteed aan de sociale, wetenschappelijke, politieke, economische en culturele context, terwijl die toch bepalend is voor de vorm die de technologie aanneemt en die vervolgens ook zelf door die technologie wordt beïnvloed.” Technologieën zijn dus geen passieve of gewoon neutrale dingen, het zijn middelen die verandering teweegbrengen. Een herbicideresistent gewas ‘nodigt uit’ om gesproeid te worden en oriënteert de landbouwpraktijk daardoor in een bepaalde richting.

Ten tweede is gebleken dat ggo’s een symbool zijn geworden in de algemene discussie over een globaliserende en input-afhankelijke landbouw. Gemodificeerde gewassen maken eigenschappen of problemen van het heersende landbouwregime namelijk tastbaar voor burgers en consumenten die eerder veraf staan van de landbouw. Ook de historische context kan verklaren waarom ggo’s zo sterk gecontesteerd zijn. De implementering van deze gewassen in Europese landbouw, tussen de beginjaren en het moratorium eind jaren ‘90, viel namelijk samen met veranderende maatschappelijke opvattingen rond wetenschap of innovatie, en met gebeurtenissen zoals de BSE-crisis en het dioxineschandaal waarbij een louter op winst gebaseerde voedselproductie sterk gecontesteerd raakte.

Technologie kan ook bepaalde, vanzelfsprekend geworden landbouwpraktijken weer omvormen tot ethische kwesties. Door ggo’s wordt bijvoorbeeld opnieuw actief discussie gevoerd over de vraag of puur technologische oplossingen voor kwesties zoals klimaatverandering en duurzaamheid wel voldoen. Ook wordt opnieuw de wel erg beperkte betrokkenheid van landbouwers in de ontwikkeling van landbouwinnovaties in vraag gesteld.

Ggo’s genereren bedoeld of onbedoeld ook nieuwe mogelijkheden en daardoor nieuwe ethische kwesties. Zo zijn deze gewassen een nieuwe manier om zoveel mogelijk controle te krijgen over natuurlijke productiefactoren. Het algemeen verwachten van een goede oogst verandert daardoor deels in het kiezen voor een goede oogst. Een neveneffect daarvan is dat andere types landbouw die meer arbeidsintensief zijn, of een lager rendement hebben, als minderwaardig worden beschouwd. Bijgevolg worden discussies over ggo-gewassen dus ook een manier om te debatteren over hoe de Europese landbouw er nu en in de toekomst uit moet zien.

Er zijn een boel normen en waarden die een rol spelen in het ggo-debat, waardoor ‘het ggo-probleem’ telkens anders wordt ervaren door de verschillende betrokkenen. Geen van die betrokkenen heeft echter op dit moment voldoende autoriteit om hun probleemstelling en -oplossing af te dwingen. Daarom is het definiëren van wat ‘het probleem’ is met ggo-gewassen in de EU nu net deel van het probleem. Dat is typisch voor een ‘wicked problem’, weet Inghelbrecht.

Om een compromis te bereiken tussen al die verschillende probleemstellingen combineert de toelatingsprocedure voor ggo-gewassen nu de criteria ‘wetenschappelijk aangetoonde veiligheid van ggo’s voor mens, dier en milieu (als component A) met ‘het bieden van individuele keuzevrijheid’ door bijvoorbeeld het hanteren van verplichte traceerbaarheid, ggo-labels en co-existentiemaatregelen (als component B). Het recente amendement voor cultivatie biedt lidstaten weliswaar meer vrijheid om ggo’s op (delen van) hun grondgebied uit te sluiten of maatregelen te nemen op basis van socio-economische of bijvoorbeeld politieke argumenten, maar dit verandert niets aan welke argumenten op Europees niveau een rol mogen spelen in de algemene toelatingsprocedure. Daar blijft de perifere ruimte voor niet-wetenschappelijke argumenten gewoon bestaan.

Deze ‘A + B’-probleemformulering voor het toelaten van ggo-gewassen op de Europese markt – voor cultivatie of voor verwerking in voeder en voeding – is een politieke keuze, die echter geen maatschappelijke steun vindt. Twee verklaringen geeft de doctorandus daarvoor, ten eerste: “Ethische en morele argumenten van burgers zijn door het bieden van individuele keuzevrijheid relevante argumenten om zelf geen ggo’s te consumeren, maar anderen moeten het wel kunnen doen zolang er geen gevaar voor mens, dier of milieu is. Op die manier wordt keuzevrijheid eerder een compensatie voor het onbeperkt doorgaan met technologische en wetenschappelijke innovatie. Bovendien laat het verplichte ggo-label ook alleen maar een ja/neen-keuze toe, zonder nuance. Alle ggo’s worden op één hoop gegooid.”

Daarnaast laat de huidige politieke probleemstelling uitschijnen dat er een wetenschappelijke consensus is over de veiligheid van ggo’s voor mens, dier en milieu want de Europese Commissie volgt systematisch de wetenschappelijke opinies van EFSA. De Europese voedselveiligheidsautoriteit formuleert wetenschappelijke beoordelingen zonder verantwoording over hun keuzes rond methodologie en assumpties. Nochtans zijn er wel diverse opvattingen over de wetenschappelijk aangetoonde veiligheid van ggo-gewassen.

De rol van wetenschap in de Europese politieke probleemstelling rond ggo-gewassen moet dus herbekeken worden, concludeert de onderzoekster aan Universiteit Gent en landbouwonderzoeksinstituut ILVO. “Nu worden enkel wetenschappelijke antwoorden meegenomen in de regelgeving. Er is echter ook erkenning nodig voor de bijbehorende wetenschappelijke vraag, en de manier waarop deze werd afgebakend. Maar deze openheid ontbreekt nu, zeker in een context waarbij wordt vastgehouden aan een strikt onderscheid tussen de ‘wetenschappelijke sfeer’ en de ‘politieke sfeer’.” Een sterke focus op wetenschappelijke argumenten in de risico-gebaseerde Europese ggo-regelgeving is dan ook een vijfde belangrijk punt dat de sterke ja/neen stellingname in het debat rond ggo-gewassen helpt verklaren.

Op basis van haar analyse suggereert Linde Inghelbrecht een drietal sporen die gevolgd kunnen worden om uit de huidige impasse te geraken. Op de weg vooruit komen we later graag terug in een tweede artikel.

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek