Vlaamse land- en tuinbouw is uitermate exportgericht
nieuwsNaar jaarlijkse traditie publiceerde de studiedienst van de Vlaamse regering begin deze maand het boek Vlaamse Regionale Indicatoren, kortweg VRIND. In de uitgebreide publicatie over alle domeinen waarin de Vlaamse overheid optreedt, staan enkele markante vaststellingen. Vooralsnog komt er geen einde aan de verdere verstedelijking van Vlaanderen. In vergelijking met begin jaren ’90 is het milieu er toch op vooruit gegaan. Uit het hoofdstuk landbouw leren we onder meer dat Vlaanderen vier vijfde van de Belgische landbouwexport voor zijn rekening neemt. Het is deze toppositie die Vlaanderen wil handhaven en waar mogelijk verbeteren. Een performante landbouw heeft daarbij niet alleen aandacht voor de economische aspecten maar ook voor sociale en milieuaspecten.
Vlaanderen wil de open ruimte vrijwaren. Hoe schaars onbebouwde oppervlakte stilaan wordt, maakt de studiedienst van de Vlaamse regering duidelijk in zijn jaarlijkse update van het boek Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND). Met 27 procent is de bebouwingsgraad in Vlaanderen hoog, daarvan wordt 11,7 procent gebruikt voor wonen. De bebouwing uit zich in een toename van de verharde oppervlakte. Men spreekt van bodemafdichting. In 2009 was 12,9 procent van de Vlaamse bodem afgedicht.
Afdichting zorgt voor een verlies aan ecosysteemfuncties van de bodem zoals koolstofopslag en waterberging en het heeft een negatieve invloed op de biodiversiteit. In VRIND valt er ook positief nieuws te rapen voor het milieu: minder verzurende emissies, een dalende uitstoot van broeikasgassen, een toename van de gronden met effectief natuurbeheer, een daling van het aantal meetplaatsen met een overschrijding van de nitraatnorm en dalende concentraties fijn stof.
Op voorwaarde dat de Vlaamse bodem niet weggestopt wordt onder een laag beton is hij uitermate geschikt voor landbouw. Landbouw beslaat 46 procent van de totale Vlaamse grondoppervlakte. Volgens de jaarlijkse landbouwenquête telde Vlaanderen in 2014 616.301 hectare landbouwgrond, een afname met 3,2 procent sinds 2000. Weiden, grasland en voedergewassen nemen 56 procent van het landbouwareaal in.
Het bovenstaande illustreert volgens de studiedienst van de Vlaamse regering het grote belang van de rundveehouderij: op de helft van de landbouwbedrijven worden runderen gehouden. Akkerbouw neemt 35 procent van het areaal in, tuinbouw slechts acht procent hoewel deze sector ruim een kwart van de Vlaamse landbouwomzet realiseert. Ruim de helft van die acht procent wordt gebruikt voor groenteteelt, fruitteelt neemt een derde in en de resterende oppervlakte is in gebruik door siertelers.
Het aantal landbouwbedrijven is tussen 2000 en 2014 met 41 procent teruggelopen. Vooral de kleinere bedrijven stoppen, wat leidt tot een voortdurende schaalvergroting. Over dezelfde periode neemt de gemiddelde bedrijfsoppervlakte continu toe tot 25,4 hectare in 2014. Deze schaalvergroting is een normale evolutie die ook speelt in de andere takken van de economie. Investeringen om te voldoen aan milieu-, voedselveiligheids- en dierenwelzijnseisen gaan meestal gepaard met een schaalvergroting. Op die manier kunnen de extra kosten waarmee deze investeringen gepaard gaan, opgevangen worden.
De continue verbetering van de techniek en de technologische ontwikkelingen maken het mogelijk om meer te produceren per ondernemer. Schaalvergroting in de land- en tuinbouw wordt ook beïnvloed door de bedrijven waarmee in de keten wordt samengewerkt, zowel toeleveranciers, dienstverleners afnemers. Tot slot wordt het ook in de hand gewerkt door dalende verkoopprijzen voor landbouwproducten. Als reactie daarop gaan bedrijfsleiders meer produceren om zo hun inkomsten veilig te stellen en de kostprijs te drukken.