duiding

"Tweede pijler maximaal vrijwaren voor landbouw"

duiding
23 februari 2009  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:52

Hoe moet het na 2013 met de rechtstreekse inkomenssteun? Moet de overheid straks meer investeren in kwaliteit?  Groene Kring-voorzitter Pieter Van Oost vertolkt de mening van de jonge landbouwers onder de koepel van Boerenbond.

Hoe ziet u de verhouding tussen de eerste en tweede pijler van het Europees landbouwbeleid verder evolueren? Moet het huidige systeem behouden blijven of is er een alternatief voorhanden?

Pieter Van Oost: 'Er is een duidelijk signaal dat Europa een andere weg op wil dan het huidige Vlaamse systeem. Steun met ontkoppelde premies op basis van historische referenties is niet het gewenste systeem waarvoor Europa opteert voor de toekomst. Na de gezondheidscontrole van het gemeenschappelijk landbouwbeleid die eind 2008 vorm gekregen heeft, is het duidelijk dat de evolutie naar een hybride systeem en/of een flate rate bijna onvermijdelijk is. De vraag blijft natuurlijk hoe we hierop inspelen en op welke termijn. Hoe verder we verwijderd geraken van de landbouwhervorming uit 2003, des te minder zullen de toeslagrechten nog kunnen verantwoord worden met een historische referentie. Wel ben ik ervan overtuigd dat iedere verandering gepaard moet gaan met een bijkomende stimulans voor de actieve land- en tuinbouwers. Ik ben bijzonder opgetogen dat de meeste andere landbouworganisaties nu ook inzien dat het niet logisch is dat er jaarlijks nog 20 miljoen euro toeslagrechten uitbetaald worden aan boeren die een pensioengerechtigde leeftijd hebben.

Wat de tweede pijler betreft, is Vlaanderen gelukkig de beste leerling van de klas, waarbij we maximaal inzetten op het verbeteren van het concurrentievermogen van onze Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven. Het Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) is het ideale instrument om ook in de toekomst mee verder te werken. Anderzijds is het duidelijk dat na de gezondheidscontrole van het gemeenschappelijk landbouwbeleid er meer geld zal overgeheveld worden van de eerste naar de tweede pijler van het landbouwbeleid. Als deze trend zich verder zet, moeten we er misschien wel voor pleiten om het aantal randvoorwaarden verbonden aan de steun uit de eerste pijler evenredig te verminderen.

De extra steun die we dan zullen kunnen inzetten uit de tweede pijler zal eerder een stimulerend beleid zijn waarbij in tegenstelling tot de eerste pijler niet direct gedacht wordt aan sanctioneren. Ik ben ervan overtuigd dat we langs deze weg ook heel wat landbouwers gaan kunnen overtuigen om verder te gaan op de goede weg die we reeds ingeslagen zijn. Ik wil hierbij wel nog vermelden dat het uitermate belangrijk is dat de beschikbare steun in de tweede pijler maximaal dient ingezet te worden voor de land- en tuinbouwsector'.

Reageer op dit antwoord

Wat is de rol van Europa in de voedselproblematiek op wereldvlak? Moeten we de komende jaren extra investeren in bijvoorbeeld kwaliteit en export ten nadele van rechtstreekse inkomenssteun?

'Vooral in West-Europa is het zeer moeilijk om te concurreren met landbouwers die kunnen produceren aan zeer lage kostprijs. Daarom is het in de eerste plaats van belang onze producten binnen de Europese grenzen aan de man te brengen. De Europese beleidsmakers hebben de jongste decennia sterk ingezet op de kwaliteit van het productieproces en de kwaliteit van het eindproduct. Land- en tuinbouwers willen graag produceren onder de strengste normen, zodat de voedselveiligheid op geen enkel ogenblik in gevaar komt. Het is belangrijk dat diezelfde normen op het vlak van voedselveiligheid gehanteerd moeten worden voor alle ingevoerde producten. Daar knelt het schoentje, want vandaag strijden we niet met gelijke wapens.

Op het niveau van de Wereldhandelsorganisatie heeft men het enkel over de kwaliteit van het eindproduct, maar doet het productieproces er niet toe. Ik zou graag hebben dat het Europese beleid daar zijn verantwoordelijkheid opneemt en ervoor zorgt dat respect voor het leefmilieu, dierenwelzijn, arbeidsomstandigheden, enzovoort op de agenda van de wto belanden. Er is zelfs nog veel meer aan de hand, want wij hebben niet de mogelijkheid om onbeperkt ggo’s in onze veevoeders te mengen omdat de lastenboeken het niet toestaan. Ook het gebruik van dierenmeel, hormonen en groeibevorderaars zijn hier niet toegelaten. Zelfs de toegang tot het gebruik van goedkopere gewasbeschermingsmiddelen wordt ons ontzegd. Ik ben dus voor eerlijke concurrentie op voorwaarde dat de lat voor iedereen gelijk ligt. Indien dit niet kan, moeten we ons harder opstellen en aan de alarmbel luiden. Ik vind het ongepast dat de gewone burger niet op de hoogte is van de mondiale context waarbinnen we moeten opereren.

De consument gaat in de winkelrekken altijd op zoek naar het goedkoopste product. Jammer genoeg moeten we vaststellen dat de consumentenorganisaties niet of nauwelijks communiceren over de verschillende productieprocessen die wereldwijd gehanteerd worden. Ik kan best begrijpen dat niet alle landen van vandaag op morgen kunnen voldoen aan de eisen die wij stellen. Maar er zijn systemen genoeg die ervoor kunnen zorgen dat zij de inhaalbeweging op zeer korte termijn kunnen inzetten. Die landen moeten er natuurlijk toe bereid zijn.'

Reageer op dit antwoord

Hoe vindt u dat het ondernemerschap van de landbouwers verder kan gestimuleerd worden? Wat is de rol van de overheid op dit terrein?

'Met het Landbouwinvesteringsfonds hebben we in Vlaanderen een ijzersterke troef. Onlangs werd ik zelf gecontacteerd door de Nederlandse overheid om hen te informeren over de Vlaamse aanpak. Natuurlijk kan alles beter, maar het is natuurlijk ook zo dat de regelgeving niet om het half jaar kan wijzigen. De defiscalisering van de investeringssteun zou in deze crisistijden wel meer dan welkom zijn. Daarnaast is het systeem van het bedrijfsadvies zeer aantrekkelijk voor jonge landbouwers om kennis te nemen van de complexe regelgeving. Ik blijf het overigens bijzonder jammer vinden dat land- en tuinbouwers op vandaag nog altijd een te beperkte bedrijfseconomische kennis hebben.

De banken bevestigen ons nog altijd dat landbouwers onvoorbereid een krediet durven aanvragen. Dit is onaanvaardbaar. Daarom moet het beleid de mogelijkheid bieden om via allerlei gesubsidieerde vormingsmogelijkheden kennis kunnen over te brengen aan de individuele land- en tuinbouwers. Hoewel we natuurlijk blij zijn dat de sector een eigen minister heeft, is het wel jammer dat land- en tuinbouwers soms uitgesloten worden voor bepaalde initiatieven ten bate van kmo’s. Dit is wat te kort door de bocht.'

Reageer op dit antwoord

Inspelen op veranderende marktomstandigheden is een noodzaak om als sector te kunnen overleven. Wat is de rol van Europa?

'Groene Kring blijft een sterke voorstander van een marktstabiliserend beleid waarbij eerlijke prijzen voor producenten en consumenten gegarandeerd blijven. We ijveren voor het behoud van een soort permanent vangnet dat het beleid kan activeren wanneer de nood het hoogst is. Anderzijds staan wij open voor het herzien van bepaalde regelgeving, zoals bijvoorbeeld de melkquota. Maar ook in andere sectoren voelen we dat de vrijere markt ervoor zorgt dat de prijzen van landbouwproducten aan sterke schommelingen onderhevig zijn. Dit is iets wat we zeer sterk moeten opvolgen, want in het verleden was de landbouwsector een vrij stabiele sector.

In dit kader wordt het in de toekomst nog belangrijker dat land- en tuinbouwers de krachten bundelen om samen sterker te staan. Belangrijk is dat we niet afstevenen op een verdoken hernationalisatie van het landbouwbeleid. Groene Kring zal keihard blijven vechten voor het behoud van een gemeenschappelijk landbouwbeleid zodat buurlanden elkaar niet op slinkse manier beginnen te beconcurreren.'

Reageer op dit antwoord

Moeten de landbouwers zich beter organiseren om problemen gezamenlijk aan te pakken?

'Dat is evident. De trend naar nog minder maar grotere bedrijven zal zich ongehinderd voortzetten. Het is niet omdat je bedrijf groter wordt dat het risico afneemt, integendeel. Ik zie een deel van de oplossing in de oprichting van nog meer telerverenigingen. In Vlaanderen hebben we in de groente- en fruitsector zeer goed werkende veilingen. Verder hoop ik dat het ledenaantal van Ingro nog fors zal stijgen. Het is niet altijd vanzelfsprekend om individuele groentetelers voor zo’n initiatieven warm te maken omdat ze nog altijd sterk focussen op het eigen bedrijf. Toch sta je collectief sterker dan alleen, maar iedere boer of tuinder maakt finaal natuurlijk de rekening voor zijn eigen bedrijf.

Ook de zuivelsector zal zich in de toekomst nog beter moeten organiseren nu het einde van de melkquota in zicht is. Volgens mij moeten we streven naar een interprofessioneel overleg waarbij er nog een zekere vrijheid overblijft voor zowel de landbouwers als de zuivelindustrie. Dit wordt zeker geen eenvoudige oefening, maar het is uitermate belangrijk dat de individuele landbouwers hier hun krachten bundelen om samen sterker te staan. De varkens- en vleesveehouderij gaan in de nabije toekomst nog meer moeten samenwerken om tot meer prijstransparantie te komen. De landbouwsector slaagt er nog redelijk in om met haar directe afnemers in gesprek te gaan, maar ook zijn komen onder steeds meer druk te staan. Een stap verderop in de keten belanden we bij de supermarktketens, waar een prijzenoorlog woedt die nog altijd onderbelicht wordt. Dat de land- en tuinbouwsector hiervan in toenemende mate het slachtoffer wordt, lijdt geen twijfel.'

Reageer op dit antwoord
 

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek