"Korte keten vraagt meer dan ooit een flinke dosis creativiteit en ondernemerschap"
nieuwsDe interesse van landbouwers in de korte keten blijft toenemen. Dat blijkt ook uit de investeringsaanvragen die vorig jaar stegen. Volgens het Steunpunt Korte Keten schuilt achter die cijfers een groeiende diversiteit aan initiatieven: van klassieke hoevewinkels tot volledig nieuwe bedrijfsmodellen. “Maar het is belangrijk te beseffen dat rechtstreekse verkoop geen gemakkelijke oplossing is. Nog meer dan in de reguliere landbouw moet je over een flinke dosis ondernemerschap beschikken”, klinkt het bij het steunpunt.
In de provincie Antwerpen werden bijna dubbel zoveel aanvragen ingediend voor investeringen in de korte keten. Dat bracht Het Nieuwsblad naar buiten op basis van cijfers die cd&v-politica Katrien Schryvers opvroeg bij Vlaams minister van Omgeving en Landbouw Jo Brouns (cd&v). Ook in de rest van Vlaanderen is er een toename, zo blijkt uit cijfers van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij. Via het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) kunnen landbouwers tot 40 procent subsidies krijgen voor investeringen in de rechtstreekse verkoop of verwerking van landbouwproducten.
De korte keten staat voor veel vormen van rechtstreekse en lokale verkoop. Denk bijvoorbeeld aan boerenmarkten, hoevewinkels, hoeveautomaten, buurderijen, zelfpluktuinen, CSA-boerderijen (Community Supported Agriculture, gemeenschapslandbouw) of voedselteams. In de cijfers van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij zitten niet alleen nieuwe korteketeninitiatieven vervat, maar ook uitbreidingen van bestaande initiatieven. Bovendien gaat het om aanvragen voor investeringssteun en niet om uitbetaalde steun.
Veel variatie in adviesvragen
Bij het Steunpunt Korte Keten van Ferm begeleiden ze landbouwers die vragen hebben over de korte keten. Een plotse toevloed aan adviesvragen stelt het steunpunt zeker niet vast. “Jaar na jaar merken we wel dat er meer vragen komen, maar het gaat eerder om een lineaire stijging over de jaren heen”, vertelt coördinator Ann Deteler. “Bovendien is het niet zo dat landbouwers die advies inwinnen over de korte keten er ook per definitie mee doorgaan.”
Toch ziet Detelder een aantal tendensen. “Eerst en vooral stellen we vast dat er over alle sectoren heen veel variatie is in de aanvragen, vaak met heel creatieve en innovatieve bedrijfsmodellen. Vroeger zagen we eerder gangbare bedrijven die een deel van hun productie via een eigen hoevewinkel willen vermarkten. Nu worden we ook benaderd door landbouwers die er bewust voor kiezen om op een volledig andere manier aan landbouw te doen en resoluut kiezen voor de korte keten. Zeker in de pluimveesector is die tendens merkbaar, met meer en meer mobiele kippenstallen waarbij de eieren of het vlees van de dieren rechtstreeks aan de consument worden verkocht.”
Een andere vaststelling is de stijging in adviesvragen door landbouwers die zich door de stikstofwetgeving gedwongen zien om hun veestapel af te bouwen. “Het is nog maar heel recent dat we vanuit die hoek de interesse voor de korte keten zien toenemen”, vertelt Detelder. “Dat zijn vaak mensen die zich aan het oriënteren zijn omdat ze hun veestapel moeten afbouwen en in dat kader onderzoeken of de korte keten voor hen een oplossing kan zijn. Zeker in de varkenshouderij zien we meer en meer interesse.”
Interesse uit Oost-Vlaanderen het grootst
In 2025 kwam 40,5 procent van de adviesvragen bij het Steunpunt Korte Keten van bedrijven in de provincie Oost-Vlaanderen. De provincie met het grootste aantal land- en tuinbouwbedrijven, West-Vlaanderen, staat op de tweede plaats met 23,5 procent van de adviesvragen. Vervolgens komen Vlaams-Brabant (13%), Antwerpen (12,3%) en Limburg (10%). Het voorlopige beeld van 2026 geeft een vergelijkbaar beeld, zo stelt het Steunpunt Korte Keten.
Rendabiliteit als aandachtspunt
In al zijn adviesvragen onderlijnt het Steunpunt Korte Keten heel sterk het belang van een correcte kostprijsberekening. Studies uit het verleden hebben al aangetoond dat korteketenlandbouwers wel vaker hun eigen uren onvoldoende doorrekenen. “De korte keten is vaak bijzonder arbeidsintensief. Wij proberen landbouwers te leiden naar een efficiënte bedrijfsvoering. Automatisering kan een deel van de oplossing zijn, net als samenwerking. Dat zijn zaken die geld kosten, maar de eigen arbeid kost ook geld. De korte keten is geen hobby”, stelt Detelder.
Hoewel de korte keten tijdens corona aan belang heeft gewonnen als aankoopkanaal, blijft het nog altijd een niche. Is er in Vlaanderen dan nog wel ruimte voor nieuwe korteketenactiviteiten of lijkt het verzadigingspunt in zicht? “Daar moet zeker over nagedacht worden. Als je in een gemeente al een melkveebedrijf hebt met schepijs en daar komt in dezelfde gemeente een tweede bedrijf met schepijs bij, dan ga je gewoon de klanten verdelen. Korte keten is meer dan alleen schepijs rechtstreeks aan de consument verkopen. Je kan bijvoorbeeld ook de horeca of de retail benaderen. Maar dat vraag wel een ander businessmodel”, verduidelijkt Detelder.
Volgens haar is ondernemerschap in de korte keten nog belangrijker dan in de reguliere landbouw. “De korte keten is geen gemakkelijke oplossing. Het vergt creativiteit, ondernemerschap en marketingskills. Daarom adviseren wij landbouwers om niet in het traditionele korteketenverhaal te denken. Hetzelfde doen als je buurman, daarvoor is de markt stilaan wel verzadigd. Dus maak het jezelf niet te gemakkelijk”, klinkt het. Detelder geeft meteen ook een voorbeeld. “Witblauw vlees kan je in de korte keten eigenlijk niet goedkoper verkopen dan in de supermarkt. Het is daarom interessanter om voor een ander ras te kiezen en er een mooi verhaal rond te maken. Dat heeft meteen al veel meer slaagkansen.”