nieuws

Is inkomensstabilisatietool zinvol tegen marktdip?

nieuws
Sinds de hervorming van het GLB in 2013 kunnen lidstaten en regio’s binnen de tweede pijler van het Europese landbouwbeleid beroep doen op de inkomensstabilisatietool. Dat instrument compenseert 70 procent van het inkomensverlies als een bedrijf een inkomensdaling kent van meer dan 30 procent ten opzichte van het gemiddelde van de voorgaande drie jaren. Misschien wel, maar het blijft een duur en complex systeem, vindt Vlaams landbouwminister Joke Schauvliege.
7 oktober 2016  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:30
Lees meer over:

Sinds de hervorming van het GLB in 2013 kunnen lidstaten en regio’s binnen de tweede pijler van het Europese landbouwbeleid beroep doen op de inkomensstabilisatietool. Dat instrument compenseert 70 procent van het inkomensverlies als een bedrijf een inkomensdaling kent van meer dan 30 procent ten opzichte van het gemiddelde van de voorgaande drie jaren. Misschien wel, maar het blijft een duur en complex systeem, vindt Vlaams landbouwminister Joke Schauvliege.

Meer en meer heeft het Europees landbouwbeleid de land- en tuinbouwers overgeleverd aan de grillen van de vrije markt via de afbouw van marktinterventies en prijsregulerende instrumenten. “Prijzen fluctueren, maar de marges zijn niet groot genoeg en de fiscale stimuli ontbreken om als bedrijf een voldoende reserve aan te leggen”, zo stelt ook landbouwminister Joke Schauvliege vast. Volgens de minister moeten we daarom als maatschappij met een andere bril naar landbouw kijken en moet de consument zich bewuster worden van de prijs die hij wil betalen voor een veilig en eerlijk product.

Kan ook de inkomensstabilisatietool geen nuttig instrument zijn om die volatiele prijzen onder controle te houden en de meest extreme prijsduiken uit te vlakken? Dat vraagt parlementslid Sabine Vermeulen (N-VA) zich af. “En is de minister van plan om dat instrument ook te laten onderzoeken?” De inkomensstabilisatietool treedt in werking wanneer een bedrijf een inkomensdaling kent van meer dan 30 procent ten opzichte van het gemiddelde van de voorgaande drie jaren. In dat geval kan 70 procent van het inkomensverlies worden vergoed. Daarvan kan 65 procent door de overheid gesubsidieerd worden, terwijl de overige 35 procent van een solidariteitsbijdrage uit de sector moet komen.

In haar antwoord op die vraag merkt minister Schauvliege in de eerste plaats op dat de tool al bestaat sinds de hervorming van het GLB in 2013, maar dat er sindsdien nog maar twee keer gebruik van werd gemaakt: door de Spaanse regio Castilla y León en door Hongarije. In een poging het GLB te vereenvoudigen, heeft eurocommissaris Phil Hogan de maatregel bijgestuurd op twee punten, zo weet Schauvliege: de tool moet voortaan ook per deelsector inzetbaar zijn – en dus niet alle landbouwsubsectoren dekken – en de grens van 30 procent zou verlaagd worden tot 20 procent, waardoor er sneller uitkeringen uit het fonds zouden gebeuren.

“De vraag is echter of deze voorgestelde aanpassingen ertoe zullen leiden dat meer lidstaten geïnteresseerd zullen zijn en hun programma’s zullen aanpassen”, aldus Schauvliege. “Alle lidstaten hebben het budget dat hun werd toegewezen voor de periode 2014-2020 al toegekend aan andere plattelandsmaatregelen. In Vlaanderen geldt dat trouwens ook. Het is vrijwel onmogelijk om PDPO-programma’s halverwege volledig om te gooien. De vorige Vlaamse regering besliste om deze maatregel in Vlaanderen niet op te nemen. De Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij (SALV) bleek evenmin voorstander, want formuleerde geen advies in die richting over het ontwerp van PDPO 3.”

Bovendien vindt de minister het een duur systeem. “Uit berekeningen die de landbouwadministratie uitvoerde, bleek dat bijna 80 miljoen euro zou moeten worden uitgetrokken”, zo klinkt het. “Dat gaat natuurlijk ten koste van andere maatregelen. Daarnaast is er de complexe systematiek om te bepalen of een landbouwer in aanmerking komt in een bepaald jaar. Inkomensgegevens van de voorbije vijf jaar van individuele bedrijven zouden ingezameld, verwerkt en gecontroleerd moeten worden. De administratieve beheerkosten voor deze maatregel zijn dus zeer hoog.”

Tenslotte is er ook nog de laattijdigheid van betalingen, besluit de minister: “Pas als het inkomensverlies bekend is, kan de uitkering voor de boer berekend worden. In de praktijk wil dat zeggen dat pas in het midden van het jaar volgend op het jaar van het inkomensverlies de toekenning kan gebeuren. Op het ogenblik van betaling kunnen de marktomstandigheden al gewijzigd zijn. Sectoren in langdurige crisis ontvangen op termijn geen compensatie meer omdat er steeds wordt vergeleken met de inkomens van het voorafgaande jaar. Als het inkomen laag blijft, volgt de compensatie maar één keer.” Duur en complex, zo noemt Schauvliege het systeem. Al belooft ze de aanpassingen wel nader te bekijken.

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek