"Instrumenten voor marktafscherming blijven cruciaal"
duidingMoet de eerste pijler met de rechtstreekse inkomenssteun na 2013 overeind blijven? Hoe moet het plattelandsbeleid verder evolueren? En is het voor de land- en tuinbouwers niet aangewezen om nog veel meer te gaan samenwerken? De werkgroep landbouw van VODO, de koepelorganisatie van een twintigtal ngo's, boog zich over deze vragen.
Hoe ziet u de verhouding tussen de eerste en tweede pijler van het Europees landbouwbeleid verder evolueren? Moet het huidige systeem behouden blijven of is er een alternatief voorhanden?
De werkgroep landbouw van het Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling is al een aantal jaren de pleitbezorger voor een duurzame landbouw. Dit is een landbouw die binnen de ecologische en sociale draagkracht van onze planeet en maatschappij opereert, en toch economisch leefbaar is. Indien we het landbouwbeleid verder blijven uitbouwen op basis van twee pijlers, maken we een onderscheid tussen twee verschillende landbouwsystemen. Waarbij het ene winstmaximalisatie en versterking van de concurrentiepositie nastreeft, maar op ecologisch en sociaal vlak nauwelijks is aangepast aan de huidige noden. Landbouw is veel meer dan een puur economische sector. De andere pijler zou dan model staan voor een landbouw die verschillende maatschappelijke diensten levert - zoals landschapsonderhoud, natuurbeheer, waterberging en lokale verkoop -, die zoveel mogelijk binnen de ecologische draagkracht én waarbij boeren hiervoor een eerlijke prijs ontvangen.
Van een dergelijk duaal systeem zijn we zeker geen voorstander. Een duurzame landbouw verschaft boeren in de eerste plaats een volwaardig inkomen, verstoort geen externe markten, brengt voldoende, gezonde en kwalitatieve voeding en grondstoffen voort, die in hoofdzaak afzet vinden op lokale en regionale markten én opereert binnen de ecologische grenzen. We pleiten op lange termijn voor het samensmelten van de twee pijlers. Het op duurzame wijze voortbrengen van een gezonde, kwaliteitsvolle voeding, met afzet op lokale en regionale markten staat hierbij centraal. In dit landbouwmodel is er ook plaats voor verschillende functies op het platteland zoals hoevetoerisme, plattelandsonderhoud, rechtstreekse verkoop, biodiversiteitsbehoud, waterbeheer.
Reageer op dit antwoord
Wat is de rol van Europa in de voedselproblematiek op wereldvlak? Moeten we de komende jaren extra investeren in bijvoorbeeld kwaliteit en export ten nadele van rechtstreekse inkomenssteun?
Vodo vertrekt van het recht op voedselsoevereiniteit waar elke regio, zoals de Europese regio, in staat moet zijn om haar eigen landbouw- en voedselbeleid te bepalen in functie van de verwachtingen en noden van haar bevolking. Handel blijft wel een essentiële rol vervullen, maar de recente voedselcrisis heeft erop gewezen dat een te grote afhankelijkheid van de internationale landbouwmarkten inefficiënt is en leidt tot de verhoging van honger in de wereld. Meer investeren in duurzame familiale landbouw voor de lokale en regionale voedselvoorziening is het antwoord. Wij geloven niet dat het mogelijk is een duurzame landbouw te verzoenen met een landbouw die moet concurreren op de vrijgemaakte wereldmarkt. In de westerse landen moet in dat model de landbouw rechtstreeks of onrechtstreeks ondersteund worden, met onder andere dumping in ontwikkelingslanden tot gevolg.
Boeren in ontwikkelingslanden, die meestal onder zeer verschillende omstandigheden werken, worden gedwongen de concurrentiestrijd aan te gaan en gaan zich specialiseren in bepaalde exportgewassen. Dit gaat dan lokaal ten koste van voedselzekerheid, tewerkstelling, rechtvaardige toegang tot land, water of krediet, sociale leefbaarheid en milieukwaliteit. Regio’s moeten op wereldvlak in staat worden gesteld om hun lokale en regionale landbouwmarkten te ontwikkelen. Instrumenten om grenzen af te schermen voor landbouwproducten, zowel elders als in Europa, zijn hierbij cruciaal. Europa moet blijven investeren in kwaliteitsvolle producten en duurzame productiemethoden. We pleiten bijvoorbeeld voor een vleesproductie die veel meer lokale eiwitbronnen aanspreekt eerder dan niet-duurzame eiwitbronnen geïmporteerd uit derde landen.
Om de voedselproblematiek op wereldschaal ten gronde aan te pakken, moet eerst erkend worden dat dit niet zozeer een probleem is van hoeveelheid voedselproductie, maar wel een probleem van armoede en dus toegang tot voedsel. De crisis wordt niet opgelost door een schommeling tussen te hoge prijzen en te lage prijzen, die telkens ofwel de stedelijke armen of arme boeren treffen. Het antwoord op de voedselcrisis gaat gepaard met marktregulering waar nodig om prijzen te stabiliseren en het aanbod te beheersen. De recente invoering van exportsubsidies voor melkproducten en het op termijn opheffen van de productiequota gaan niet in de goede richting.
Inspelen op veranderende marktomstandigheden is een noodzaak om als sector te kunnen overleven. Wat is de rol van Europa?
Het kunnen inspelen op marktomstandigheden is inderdaad belangrijk, maar veranderende marktomstandigheden mogen niet de drijvende kracht zijn om ad hoc het landbouwbeleid te gaan bepalen. Bovendien zijn landbouwmarkten verre van perfect. De landbouwproducten zijn geen goederen als alle andere. Omwille van deze specifieke eigenheid zal een tussenkomst van de overheid noodzakelijk blijven. De hamvraag blijft dan natuurlijk: op welke manier kan de Europese overheid het meest efficiënt de markten gaan organiseren?
Daarnaast worden de huidige landbouwmarkten gekenmerkt door een steeds toenemende machtsconcentratie van enkele grote bedrijven die steeds meer bepalend worden voor wat en hoe voedsel geproduceerd wordt en aan welke prijs. Ecologische en sociale negatieve neveneffecten worden nauwelijks in de prijzen opgenomen. De consument vraagt gezonde, eerlijke, kwaliteitsvolle producten. Toch is het vandaag voor een consument onmogelijk om na te gaan welke impact zijn gekochte producten hebben. Weerom zijn de ecologische en sociale grenzen belangrijk om de regels van de markt op te heroriënteren. Er is een duidelijke nood aan transparantie en aansprakelijkheid (ketenverantwoordelijkheid) van bedrijven. Tenslotte kunnen we de landbouwontwikkelingen niet meer los zien van het brede plaatje van energiecrisis, klimaatcrisis, de verhoogde druk op natuurlijke rijkdommen, enzovoort. Europa kan en moet hierin een vooraanstaande rol spelen, zowel intern als op wereldvlak.
Moeten de landbouwers zich beter organiseren om problemen gezamenlijk aan te pakken?
Het is duidelijk dat sterke boerenorganisaties een tegenwicht bieden voor de groeiende machtsconcentratie in de voedselketens, noodzakelijk zijn voor het beter kunnen reguleren van de markten. Dat wordt des te belangrijker als de marktregulerende instrumenten van het landbouwbeleid overboord worden gegooid. Toch wordt door boerenorganisaties ook ingezien dat ze zich niet kunnen beperken tot de verdediging van kortetermijnbelangen. Het is cruciaal dat boerenbewegingen ook in dialoog treden met de andere betrokken actoren rond de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. We moeten tot een gemeenschappelijke visie komen, die de korte termijn tegenstellingen tussen landbouw en milieu, tussen noord en zuid, tussen conument en producent te kunnen overstijgen.
Meer informatie: VODO-memorandum over het landbouwbeleid