In 2017 start overheidscontrole op toepassing van IPM
nieuwsSinds 1 januari 2014 zijn land- en tuinbouwers verplicht om de principes van geïntegreerde gewasbescherming toe te passen. Volgens de Europese richtlijn over een duurzaam pesticidengebruik staat integrated pest management (IPM) voor het zorgvuldig afwegen van alle beschikbare methoden om de gewassen te beschermen tegen belagers. Op die manier kan de inzet van chemische middelen beperkt worden. Met een besluit van de Vlaamse regering werd dit omgezet in Vlaamse wetgeving. Vanaf 2017 gaat de overheid na of alle professionele land- en tuinbouwers met een fytolicentie op de toepassing van IPM gecontroleerd werden door een certificeringsinstelling.
IPM komt er in de praktijk op neer dat een landbouwer goed nadenkt over de noodzaak om een (chemisch) gewasbeschermingsmiddel te gebruiken. Met een aangepaste teelttechniek kan hij het gebruik beperken, of misschien zelfs vermijden. Gedurende de teelt doet hij regelmatig waarnemingen om na te gaan of een bestrijding nodig is, of hij laat zich hierin begeleiden. Als ingrijpen noodzakelijk is, dan kiest de landbouwer zo veel mogelijk voor middelen die het minst gevaarlijk zijn voor zichzelf, de consument en het leefmilieu. Als het kan, kiest hij voor een niet-chemische bestrijding. Ten slotte registreert hij zorgvuldig de behandelingen die hij uitvoerde, en in de mate van het mogelijke ook het resultaat daarvan.
Annie Demeyere van het Departement Landbouw en Visserij vat het in Boer&Tuinder in vier principes samen: preventie, waarnemen, interventie en registratie. Ze informeert landbouwers over de acht principes die in het kader van IPM toegepast moeten worden. Zo zijn er een resem maatregelen waarmee landbouwers kunnen anticiperen op onkruid, ziekten en plagen. Demeyere somt op: teeltrotatie, aangepaste teelttechnieken zoals een ‘vals’ zaaibed aanleggen, resistente of tolerante rassen zaaien, machines regelmatig reinigen om verspreiding van schadelijke organismen te voorkomen, nuttige organismen beschermen en bevorderen door ‘ecologische infrastructuur’, enz.
Naar verluidt zijn de meeste land- en tuinbouwers zich bewust van IPM en passen ze de principes ervan toe, “maar enkele sectoren die minder met gewasbeschermingsmiddelen bezig zijn, zijn hiervan niet zo goed op de hoogte”, schat Demeyere in. Ze geeft als voorbeeld rundveehouders, die hun aandacht meer op de stal dan op het veld richten. Voor hen, en voor alle andere landbouwers, is het goed om weten dat de overheid toeziet op de naleving van geïntegreerde gewasbescherming.
“Professionele land- en tuinbouwers met een fytolicentie P2 moeten zich registreren bij een controleorgaan dat hen zal controleren op de toepassing van IPM”, zo legt Demeyere uit. De door het Voedselagentschap erkende certificeringsinstellingen voor het lastenboek plantaardige productie (Vegaplan) kunnen op het moment van de driejaarlijkse audit de IPM-controle doen. Landbouwers die niet aangesloten zijn bij Vegaplan moeten zich afzonderlijk laten controleren en betalen hier extra voor. Voor de anderen zijn de extra kosten minimaal.
Vanaf 2017 wordt nagegaan of alle professionele land- en tuinbouwers met een fytolicentie P2 gecontroleerd werden en de IPM-beginselen toepassen. Wie niet in orde is, krijgt een laatste kans om zich te regulariseren. Wie dit niet doet, riskeert een sanctie. De boodschap van het artikel van Demeyere is dan ook dat landbouwers zich best tijdig registreren bij een erkend controleorgaan.
Boeren en tuinders die nog niet zo goed vertrouwd zijn met IPM worden niet aan hun lot overgelaten. Het Departement Landbouw en Visserij stelt via zijn website richtlijnen ter beschikking voor de toepassing van de IPM-principes in de verschillende teelten. Aan deze richtlijnen werden checklists gekoppeld zodat de controle op een vergelijkbare manier kan gebeuren als de controles door het Voedselagentschap of in het kader van kwaliteitslastenboek Vegaplan.
Bron: Boer&Tuinder