Erkenningscomité bestrijdingsmiddelen zetelt 1.000 keer
nieuwsVanwege de 1.000e bijeenkomst van het Erkenningscomité voor bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik organiseerde de FOD Volksgezondheid vorige maand een infodag in Brussel. De werking van het Erkenningscomité wordt namelijk ondersteund door de federale overheidsdienst Gewasbeschermingsmiddelen. De fabrikanten spijzen een begrotingsfonds dat de dienst toelaat om personeel aan te werven voor de behandeling van hun aanvragen. “Een win-winsituatie”, zegt diensthoofd Maarten Trybou, “want hoe groter onze capaciteit hoe sneller het Erkenningscomité kan werken, hoe meer pesticiden erkend worden en hoe beter dat is voor het leefmilieu want nieuwe middelen zijn selectiever en minder schadelijk voor het milieu.”
Circa 70-80 jaar geleden werden chemische bestrijdingsmiddelen vrij op de markt gebracht door fabrikanten. De mogelijk schadelijke effecten voor de omgeving werden achteraf pas duidelijk. Een grondige toelatingsprocedure om die effecten op voorhand te bestuderen, drong zich op. Vandaag worden chemische stoffen op Europees niveau op hun veiligheid beoordeeld en buigen de lidstaten zich over de markttoelating van de commerciële producten die gemaakt worden van die actieve stoffen. In ons land is die taak toevertrouwd aan het ‘Erkenningscomité voor bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik’. De 1.000e bijeenkomst van dat comité wou de FOD Volksgezondheid niet onopgemerkt laten voorbijgaan. Het vormde de aanleiding voor een infodag waarop een brede schare stakeholders uitgenodigd werden en de verantwoordelijken van de dienst Gewasbeschermingsmiddelen en Meststoffen bij de FOD het woord namen.
Maarten Trybou leidt niet alleen deze federale overheidsdienst, hij is ook voorzitter van het Erkenningscomité. Eén van de grote voordelen van de huidige werkwijze vindt hij de samenwerking tussen de verschillende overheidsdiensten binnen het comité: de gewesten die bevoegd zijn voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, de FOD WASO die over arbeidsveiligheid waakt en de FOD Volksgezondheid die de erkenningsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen behartigt. Ondanks de complexe bevoegdheidsverdeling kunnen beslissingen gezamenlijk genomen worden. “Discussies zijn soms pittig, maar verlopen altijd heel efficiënt vanwege het één-op-één-overleg”, zegt Trybou.
Organisatorisch wordt het Erkenningscomité ondersteund door de federale overheidsdienst Gewasbeschermingsmiddelen. “De fabrikanten spijzen een begrotingsfonds waarmee studies betaald worden en onze dienst personeel kan aanwerven. Daardoor kunnen hun aanvragen sneller behandeld worden en verschijnt een product sneller op de markt”, legt Trybou uit dat deze investering zich voor het bedrijfsleven terugbetaalt. Omgekeerd hoeft een belastingbetaler op deze manier niet mee te betalen aan de dossierbehandeling die resulteert in de erkenning van een product waarmee een firma winst maakt. Van die dossierkost wordt 90 procent door de fabrikanten zelf gefinancierd.
Binnen het Erkenningscomité is een brede expertise gebundeld, om te beginnen omtrent de complexe evaluatiemethodologie en verder: werkzaamheid van actieve stoffen (landbouwonderzoeksinstituut CRA-W), humane toxicologie (WIV), landbouwpraktijk (landbouwministeries van de gewesten), controlevoorschriften (FAVV en directoraat-generaal Leefmilieu). Zelf draagt de federale overheidsdienst de kennis aan omtrent residuen, gedrag in het leefmilieu, ecotoxiciteit en fysisch-chemische eigenschappen van een gewasbeschermingsmiddel.
Over de dagelijkse werking van het comité zegt Trybou: “We analyseren risico’s en op basis van die inschatting beslissen we om een toelating al dan niet te verlenen. Detecteren experts een risico, dan leggen we bijkomende maatregelen op zoals het verplicht dragen van beschermende kledij of een gewasbeschermingsmiddel enkel gebruiken in een serre. Hoe belangrijker een middel is voor de landbouwpraktijk, hoe harder we ons best doen voor het behoud ervan. Omgekeerd nemen we maatregelen als na de markttoelating problemen opduiken, bijvoorbeeld bij de monitoring van de waterkwaliteit.” Het evaluatierapport voor een bepaald gewasbeschermingsmiddel is publiek beschikbaar, maar gebruikers hoeven er geen kennis van te nemen. Zij worden correct geïnformeerd via het etiket op de verpakking en via de website Fytoweb waar je van elk gewasbeschermingsmiddel het erkende gebruik kan verifiëren.
Olivier Guelton, celhoofd toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen bij de FOD, legt uit dat dossiers tot begin jaren 2000 op papier werden ingediend in meerdere exemplaren. Dat resulteerde voor elke aanvraag in kubieke meters aan papierverspilling. Sedert 2005 worden de data aangeleverd op cd-rom. Vanaf volgend jaar zal het online kunnen omdat zowel de indiening als opvolging van erkenningsdossiers gedigitaliseerd wordt. Tijdens elke bijeenkomst van het Erkenningscomité liggen een 50-tal dossiers voor discussie op tafel. Nog eens 20 tot 30 andere zijn een formaliteit omdat België daarvoor niet werd aangeduid als rapporterende lidstaat. De EU is voor de erkenning van gewasbeschermingsmiddelen namelijk ingedeeld in drie zones. Daarbinnen evalueert één rapporterende lidstaat het gehele dossier voor alle betrokken lidstaten. Op die manier verschijnt een nieuw gewasbeschermingsmiddel sneller en met minder kosten op de markt.
Een dossier is compleet wanneer de fabrikant alle nodige data aanleverde en de expertadviezen voor alle domeinen voorradig zijn. In de dossiers dat België aangeduid is als rapporteur dient dan de beslissing te vallen over de markttoelating van een gewasbeschermingsmiddel afhankelijk van de (on)aanvaardbaarheid van de risico’s die met het gebruik ervan gepaard gaan. Aan een toelating kunnen zo nodig voorzorgsmaatregelen gekoppeld worden, zoals het respecteren van een bufferzone. Valt de beslissing over een bestaand middel in het nadeel van de fabrikant uit, dan rest nog een termijn voor de verkoop van de reeds op de markt aanwezige voorraden, evenals een nog wat langere overgangstermijn waarbinnen het gebruik stilletjes uitdooft.
Maximaal 18 maanden is een dossier in behandeling maar in ons land duurt het zelden zo lang. Nochtans heeft het Erkenningscomité meer dan de handen vol want hoewel het aantal werkzame stoffen daalt, zijn fabrikanten creatief in het vinden van oplossingen (b.v. mengen van twee actieve stoffen) om een teelt van A tot Z te beschermen zonder resistentie bij de belagers te riskeren. Een steeds kleiner aantal werkzame stoffen vertaalt zich dus niet linea recta in minder producterkenningen. Dat aantal daalt wel maar, zo zegt Maarten Trybou, “reken ons niet alleen af op de aantallen want aanvragen worden complexer.”
Siertelers en groentetelers ervaren dat de gewasbeschermingsmiddelenindustrie niet altijd staat te springen om een (dure) producterkenning aan te vragen in een kleine teelt. Om die teelten niet in de problemen te brengen, voorziet de EU-verordening in de procedure van een ‘noodtoelating’ en een zogenaamde ‘derdenuitbreiding’. Op die manier kunnen gewasbeschermingsmiddelen die hun nut bewijzen in ‘grote’ teelten ook toepassing vinden in kleine teelten. Voor de erkenning van biopesticiden, een mogelijke derde uitkomst, voorziet de overheid een versnelde procedure die zowel de fabrikant ter beschikking staat als degene die een uitbreiding naar een kleinere teelt op het oog heeft.
Alle aspecten van de evaluatieprocedure aan bod laten komen tijdens de infodag zou te ver geleid hebben zodat de dienst Gewasbeschermingsmiddelen er ecotoxiciteit uitpikte. “De Europese Commissie bepaalt welke testmethoden en richtlijnen gebruikt moeten worden voor het beoordelen van de risico’s. Die richtlijnen kunnen opgesteld zijn door de OESO bijvoorbeeld, of door de Europese agentschappen EFSA en ECHA”, legt Sébastien Vanhiesbecq van de FOD uit.
In het kader van ecotoxicologie worden de effecten op vogels en andere gewervelde dieren onderzocht, op in het water levende organismen en op bijen, andere geleedpotigen van niet-doelsoorten, regenwormen en andere in de bodem levende macro-organismen maar bijvoorbeeld ook het effect op stikstofbinding in de bodem en biologische afvalwaterzuivering. Zowel naar de toxiciteit voor de verschillende organismen als naar de mate van blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel wordt gekeken. Over het verschil tussen ‘gevaar’ en ‘risico’ zegt de FOD Volksgezondheid: “Gevaar heeft te maken met de intrinsieke eigenschappen van een product terwijl er voor het risico ook gekeken wordt naar de blootstelling, de kans dat een mens of ander niet-doelorganisme er mee in contact komt.
De experten binnen het Erkenningscomité raadplegen de fabrikantenstudies – uitgevoerd door externe labo’s volgens de goede laboratoriumpraktijken – maar ook de publiek beschikbare wetenschappelijke literatuur. De meest realistische maar tegelijk ook complexe studies zijn veldproeven. Wil je voor het effect op bijen een kleine hoeveelheid nectar analyseren, dan zijn bijvoorbeeld honderden bloemen vereist voor één staal. Studies die het effect van een gewasbeschermingsmiddel op bijen bestuderen en daarbij verschillende blootstellingsroutes, velden en bijenkorven in ogenschouw nemen, kunnen tot een miljoen euro kosten. Wijst het ecotoxicologisch onderzoek op (aanvaardbare) risico’s, dan volgt een markttoelating gekoppeld aan voorwaarden. Deze voorwaarden worden opgenomen in de toelatingsakte van het middel en op het etiket. Courante voorbeelden zijn bufferzones langs oppervlaktewater en het gebruik van driftreducerende spuitdoppen.
Vermenigvuldig je het aantal teelten in België met het aantal toegelaten gewasbeschermingsmiddelen, dan kom je aan 22.500 mogelijke combinaties. Binnen de ecotoxicologie zijn er acht grote categorieën van niet-doelwitorganismen en in totaal wel 180.000 mogelijke evaluaties van effecten op organismen. Om maar te zeggen dat het Erkenningscomité voor een grote opdracht staat. Gelukkig is er veel expertise verzameld, kan er geput worden uit de ervaringen met soortgelijke gewasbeschermingsmiddelen en is België niet voor elk gewasbeschermingsmiddel de rapporterende lidstaat binnen de centrale zone in Europa waar de producterkenningen gelijklopen.