Associeer Oost-Europa niet met grootschalige landbouw
nieuwsHoewel er in gans Europa een schaalvergroting in de varkenshouderij aan de gang is, zijn er nog verrassend veel (Oostblok)boeren die minder dan tien vleesvarkens houden. In zeven nieuwe lidstaten houden deze boeren samen 10 tot wel 63 procent (Roemenië) van de nationale varkensstapel. Deze varkens belanden niet in het reguliere circuit maar worden hoofdzakelijk voor eigen of lokale consumptie gehouden. Uit de cijfers die Eurostat verzamelde over de varkenssector blijkt ook dat in het 'varkensbekken' dat zich uitstrekt van Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen tot Vlaanderen 30 procent van alle zeugen gehouden wordt.
Hoewel iedereen de mond vol heeft over schaalvergroting in de varkenshouderij wordt in de Oost-Europese lidstaten een significant deel van de varkens op piepkleine boerderijen gehouden. Wanneer daar megagrote varkensbedrijven neergepoot worden, dan sijpelt dat nieuws soms door tot in West-Europa maar zo krijgen wij een vertekend beeld.
Cijfers van Eurostat maken duidelijk dat de doorsnee Roemeense boer geen tienduizend varkens houdt maar minder dan tien dieren. Ze belanden niet aan een slachthaak voor export maar in de kookpot van de meestal arme boerenfamilie. Van de nieuwe lidstaten spant Roemenië de kroon in de zin dat 62,8 procent van de varkensstapel gehuisvest is op zogenaamde ‘backyard farms’ met minder dan tien varkens. Ook in Kroatië (45,3%), Slovenië (31,4%), Litouwen (28,8%) en Bulgarije (25,8%) gaat het om een significant deel van de totale varkensstapel.
Elders in Europa zijn varkensbedrijven op een meer professionele leest geschoeid. In 12 lidstaten zitten er in regel enkele honderden tot duizenden varkens op een boerderij. Dat is niet alleen zo in bekende ‘varkenslanden’ als België, Nederland, Frankrijk en Denemarken maar ook in Tsjechië, Ierland, Cyprus en Zweden. In Polen en Roemenië houdt maar een derde van de bedrijven 400 of meer vleesvarkens.
Bijna 42 procent van de Europese varkensstapel wordt gehouden op vleesvarkensbedrijven die de biggen aankopen. In de vleesvarkenshouderij is het verschil tussen groot en klein enorm: hoewel 73,3 procent van de vleesvarkenshouders minder dan tien varkens houdt, wordt 77,8 procent van de varkens gehuisvest op bedrijven met minstens 400 dieren. Roemenië is in zijn eentje goed voor 58,4 procent van alle kleinschalige varkensboeren.
Tien landen maken het mooie weer in de Europese varkenshouderij: België, Denemarken, Duitsland, Spanje, Italië, Luxemburg, Nederland, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Samen zijn zij goed voor twee derde van de totale varkensstapel en driekwart van de vleesproductie. Meer dan twee derde van de biggen wordt gekweekt in Denemarken, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Nederland en Polen.
Nog volgens Eurostat realiseren de grotere zeugenbedrijven (400 of meer zeugen) betere technische resultaten dan de kleine bedrijven en de bedrijven met een gemiddelde grootte. Schaalgrootte blijkt een cruciaal element te zijn in de economische leefbaarheid van varkensbedrijven.
Kijken we naar het belang van varkenshouderij in de productiewaarde van de landbouw, dan duikt België opnieuw op in het lijstje. Met 20 procent van de totale agrarische productiewaarde die kan toegeschreven worden aan varkens moet ons land enkel Denemarken (29%) voor zich dulden. In Spanje (14,7%) en Duitsland (14,5%) is varkenshouderij niet zo’n grote specialisatie als bij ons.
Varkenshouderij is vaak een regionale aangelegenheid, wat in de cijfers van Eurostat op lidstaatniveau minder goed tot uiting komt. Het statistiekbureau zet daarom in de verf dat 30 procent van de zeugen gehuisvest is in het 'varkensbekken' dat zich uitstrekt van Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen tot in Vlaanderen. Andere belangrijke productieregio’s zijn Catalanië, Lombardije, Bretagne en enkele regio’s centraal in Polen en in het noorden van Kroatië.
Meer info: Eurostat