nieuws

Sinds begin 2012 al 110 klachten over geurhinder

nieuws
De afdeling Milieu-inspectie van de Vlaamse milieuadministratie registreerde sinds begin dit jaar 110 klachten over geurhinder bij 48 landbouwbedrijven. Wanneer een klacht gegrond is, wordt het landbouwbedrijf in kwestie aangemaand om aanpassingen te doen aan de infrastructuur of aan de werkwijze. Dat zegt minister van Leefmilieu Joke Schauvliege.
10 oktober 2012  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:06

De afdeling Milieu-inspectie van de Vlaamse milieuadministratie registreerde sinds begin dit jaar 110 klachten over geurhinder bij 48 landbouwbedrijven. Wanneer een klacht gegrond is, wordt het landbouwbedrijf in kwestie aangemaand om aanpassingen te doen aan de infrastructuur. Dat antwoordde minister van Leefmilieu Joke Schauvliege op een parlementaire vraag over de omzendbrief geurhinder.

Sinds 1 september moeten landbouwers tegen wie al een klacht is ingediend wegens geurhinder bij hervergunning of openbaar onderzoek maatregelen nemen om de stank te verminderen. Anders krijgen ze geen vergunning meer voor hun stallen. Dat staat in de omzendbrief geurhinder van minister Schauvliege. Vlaams parlementslid Els Kindt (CD&V) wou van Schauvliege weten om hoeveel bedrijven het juist gaat, hoe klachten voor geurhinder beoordeeld worden en wat de implicaties zijn voor die bedrijven.

Sinds begin 2012 ontving de afdeling Milieu-inspectie 110 klachten over in totaal 48 landbouwbedrijven. “Van een aantal klachten over geurhinder is nog niet uitgemaakt of ze gegrond zijn of niet. Het is niet omdat ze ingediend zijn, dat ze ook terecht zijn”, verduidelijkt Schauvliege. De beoordeling van de klachten gebeurt in de eerste plaats door de adviesinstantie die de behandeling van de vergunningsaanvraag moet doen. Finaal is het de vergunningverlenende overheid die de beslissing neemt.

De minister geeft toe dat nooit valt uit te sluiten dat de beoordeling van een klacht of vergunningsaanvraagdossier ook op een aantal subjectieve aspecten berust. Om dat zoveel mogelijk te vermijden, zijn er twee maatregelen genomen. “In de omzendbrief staat duidelijk dat elementen als de gebiedsbestemming, de door de landbouwer genomen of vooropgestelde maatregelen, de afstand tot de klager en de vaststellingen die gebeurd zijn, mee in rekening moeten worden gebracht”, klinkt het.

In tweede instantie moet de tussenkomst van de milieuvergunningscommissie helpen voorkomen dat de beoordeling van de klacht en het aanvraagdossier op subjectieve wijze gebeurt. “De manier waarop het openbaar onderzoek georganiseerd is, maakt het mogelijk dat derden hun recht op inspraak over de betreffende exploitatie uitoefenen. Of die opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek uitgebracht worden, gegrond zijn, wordt nadien onderzocht door de adviesinstanties en finaal ook door de vergunningverlenende overheid”, aldus Schauvliege.

Wanneer uitgemaakt is dat een klacht gegrond is, wordt het bedrijf aangemaand om aanpassingen te doen aan de infrastructuur of de manier van werken. “Het is evenwel niet altijd eenduidig te bepalen wat juist de financiële impact is van zo’n aanpassing. De maatregelen die moeten genomen worden, verschillen enorm van bedrijf tot bedrijf”, zegt de minister. Ze wijst erop dat in de omzendbrief een aantal maatregelen staan die in eerste instantie kunnen genomen worden. “Die zijn relatief eenvoudig en een haalbare ‘good housekeeping’.”

Pas als deze ingrepen niet toereikend zijn, worden er extra maatregelen opgelegd. “Een afweging per geval is daarbij noodzakelijk en er moet ook rekening worden gehouden met de technische en uiteraard ook met de economische haalbaarheid ervan. Het type bedrijfsvoering is belangrijk, net als de beschikbare ruimte rond de stallen en uiteraard ook de ligging en het bestemmingsgebied”, legt Schauvliege uit.

De minister gaat ervan uit dat het aantal klachten over geurhinder tijdens het openbaar onderzoek niet zal stijgen omdat er een omzendbrief is die een betere beoordeling van die klachten voor ogen heeft. “De omzendbrief is dus gericht op meer zekerheid voor de landbouwers, groot of klein, ook bij de behandeling van hun vergunningsaanvraag. De brief bevat heel wat maatregelen die effectief helpen om de geurhinder te beperken zonder al te grote financiële kosten. Als extra maatregelen nodig zijn, zijn die inderdaad ten koste van wie de aanvraag doet. Er wordt steeds rekening gehouden met de economische haalbaarheid ervan voor de landbouwer.”

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek