Vlaamse mestverwerking groeide met 8,3 pct in 2013
nieuwsHet voorbije jaar heeft Vlaanderen 34,8 miljoen kilogram stikstof uit dierlijke mest verwerkt en geëxporteerd. De operationele mestverwerkingscapaciteit, exclusief export dus, is in 2013 met 1,8 miljoen kg stikstof (+ 8,3 procent) toegenomen, tot 26,6 miljoen kg. Daarmee wordt de stijgende trend van de voorbije jaren verdergezet. Dat blijkt uit de jaarlijkse peiling van het Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking (VCM).
Het aantal kilogram verwerkte stikstof in Vlaanderen blijft toenemen. In 2013 werd in totaal 34,8 miljoen kg stikstof (N) uit dierlijke mest verwerkt, inclusief export. Het grootste gedeelte (46 pct) van de N-verwerking werd gerealiseerd door de verwerking van pluimveemest (9,5 miljoen kg N) en de export van ruwe pluimveemest (6,5 miljoen kg N). De verwerking van varkensmest, inclusief export, leverde een operationele capaciteit van 15 miljoen kg N op (39 pct).
Ook de export van onbehandelde mest trekt de stijgende curve door. Dat komt onder meer omdat de export van ruwe varkensmest voor spreiding op landbouwgronden in het Nederlandse Zeeuws-Vlaanderen sinds 2010 is toegelaten, dankzij een bilateraal akkoord tussen Nederland en Vlaanderen. In 2013 steeg de export van ruwe varkensmest met 51 procent of 591.000 kg N tot een totaal van 1,7 miljoen kg N. De export van ruwe varkensmest vertegenwoordigt 5 procent van de totale operationele mestverwerkingscapaciteit in Vlaanderen.
Ook de export van ruwe pluimveemest steeg in 2013: + 18 procent tegenover 2012, of een stijging van 1 miljoen kg N. In totaal is de export van ruwe pluimveemest goed voor 6,5 miljoen kg verwerkte N of 19 procent van de totale operationele mestverwerkingscapaciteit in Vlaanderen. "Export is vaak iets goedkoper dan verwerking", aldus VCM, dat voor de bevraging in totaal 230 bedrijven aanschreef en de gegevens van 129 bedrijven opnam in de enquête.
VCM vergelijkt jaarlijks ook de beschikbare (gebouwde) met de operationele (reeds ingevulde) capaciteit in de operationele installaties in Vlaanderen. Uit die vergelijking blijkt dat er nog 21 procent beschikbare mestverwerkingscapaciteit is. Het feit dat installaties in opstartfase nog niet op volledige capaciteit draaien, en dat bepaalde installaties onvoldoende mestaanvoer hadden door de toegenomen rechtstreekse export van ruwe mest zijn volgens VCM plausibele verklaringen.
Naar de toekomst toe verwacht VCM dat die vrij beschikbare capaciteit zal afnemen: "In 2015 is er een daling van de fosfornormen voorzien en treedt het nieuwe Mestactieplan in werking." Vlaanderen telde in 2013 in totaal 129 operationele mestverwerkingsinstallaties. Daarvan zijn er 7 vorig jaar opgestart: 5 biologische mestverwerkingsinstallatie, 1 co-vergister die de dikke fractie indroogt en 1 mestverwerker die vaste mest droogt.
Het merendeel van de installaties maakt gebruik van de biologietechnologie (83 installaties), gevolgd door droging (17 installaties), totaalverwerking (13 installaties) en biothermische droging (11 installaties). De totaalverwerkers zijn vooral biogasinstallaties die het digestaat integraal verwerken door een combinatie van technieken of door een integrale droging voor export.
Wat de geografische verspreiding betreft, is het geen verrassing dat 62,9 procent van de totale verwerkingscapaciteit uitgedrukt in tonnages zich in West-Vlaanderen bevindt. Het West-Vlaamse aandeel is in vergelijking met 2012 wel met 5,7 procent afgenomen. De verwerking in Antwerpen komt op de tweede plaats met 14,5 procent, gevolgd door Oost-Vlaanderen en Limburg met 11,2 procent. Vlaams-Brabant is met 0,1 procent veruit de kleinste speler in het mestverwerkingslandschap.
Meer info: VCM-enquête 2013
Beeld: Loonwerk Defour