duiding

Vlaamse landbouwbodem grondig doorgelicht

duiding
5 januari 2009  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:52
In de jongste mestactieplannen is de pijler van de oordeelkundige bemesting het minst succesvol geweest. Hilde Vandendriessche was als kabinetsmedewerker een van de architecten van het mestbeleid. Hoewel iedereen vandaag de mond vol heeft van mestverwerking, blijft zij als directeur bij de Bodemkundige Dienst ook volop geloven in het belang van een verdere professionalisering van de bemestingspraktijken.

Zeventig jaar geleden legde de Leuvense professor Baeyens de basis voor het agrarisch bodemonderzoek. Met financiële steun van het toenmalige ministerie voor Koloniën stak de bodemkundige zijn neus in de Congolese grond. De resultaten inspireerden het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek om eind 1937 een werkingstoelage toe te kennen aan het Bodemkundig Station van de K.U.Leuven. De pionierende bodemonderzoekers ontleedden de eerste tien jaar 130.000 bodemmonsters en leverden evenveel bemestingsadviezen af. Dat monnikenwerk leverde gemiddelde oogstvermeerderingen op van 20 à 30 procent. Genoeg voor het ministerie van Landbouw om na de oorlog mee zijn schouders te zetten onder de oprichting van de Bodemkundige Dienst. “Eigenlijk was dat de allereerste spin-off van de universiteit”, vertelt Vandendriessche.

Niet veel later verscheen een eerste publicatie over de vruchtbaarheidstoestand en meststoffenbehoefte van Belgische akkers en weiden. Tot vandaag geldt het boekje als een belangrijk historisch referentiepunt. Of de bodemvruchtbaarheid in de jaren veertig al een reden tot bezorgdheid was? “Zeker. Omdat de honger overal om de hoek loerde, kon bodemuitputting zware gevolgen hebben. Tijdens de oorlogsjaren werd vooral gevreesd voor een tekort aan fosfor in de bodem. Dat is toch wel opmerkelijk als je weet dat we vandaag in Vlaanderen op veel gronden genoeg fosforreserves in de grond hebben om de komende honderd jaar toe te komen”. Een gezonde bodem is noodzakelijk voor wortelgroei, nutriëntenvoorziening en -opname, watervoorziening en fysische structuur, en beperkt potentiële verliezen aan voedingsstoffen.

Meer dan 100.000 stalen Anno 2006 heeft de Bodemkundige Dienst van België nog steeds een quasi-monopolie op het vlak van agrarisch bodemonderzoek annex advisering. De vzw telt 93 medewerkers en realiseert een omzet van 7,1 miljoen euro. Op jaarbasis worden alleen al voor de landbouwsector zo’n 70.000 stalen genomen, waar telkens diverse analyses aan vastgekoppeld worden. “Er is nog altijd een groep landbouwers die we nog steeds niet bereiken. Maar wie professioneel boert, is klant bij de Bodemkundige Dienst”, stelt Vandendriessche onomwonden. Dat geldt dan vooral voor de Vlaamse boeren, aangezien de werking van de instelling in Wallonië slechts op een laag pitje draait. In Frankrijk is de Bodemkundige Dienst actiever door een samenwerkingsverband met Agro Conseil, een bedrijf van een Franse boer die ooit klant was bij de Bodemkundige Dienst, maar zijn boerderij meteen verpachtte toen hij de voordelen van grondontledingen ontdekte.

De zes beheerders van de Bodemkundige Dienst vertegenwoordigen de Leuvense unief en het provinciebestuur van Vlaams-Brabant, maar financieel is de vzw volledig onafhankelijk. Zestig procent van het budget wordt gepuurd uit de staalnamen en adviesverlening voor boeren en tuinders, vijftien procent komt van projectgelden voor de uitvoering van toegepast wetenschappelijk onderzoek. Sponsors zijn onder meer het IWT, de Europese Commissie, en momenteel loopt zelfs een onderzoeksproject in opdracht van de Wereldbank. De rest van de inkomsten haalt de Bodemkundige Dienst uit certificatie en bodemanalyses in diverse economische sectoren. Vooral het bodemsaneringsdecreet zorgt voor een pak staalnamen en analyses.

“Die diversiteit aan inkomstenbronnen bezorgt de instelling een stevige onderbouw”, legt Vandendriessche uit. “Landbouw blijft onze core business, maar dat heeft als nadeel dat we rekening moeten houden met pieken in het voor- en najaar. Tijdens de zomerperiode is er wat extra werk in de tuinbouw, maar dat volstaat niet om de hele instelling draaiend te houden zonder nevenactiviteiten. En in februari kunnen hardnekkige vorstperiodes ervoor zorgen dat we gedurende enkele belangrijke weken van het voorjaar geen stalen kunnen nemen op landbouwgronden. In zo’n periode moeten we op andere bedrijfsactiviteiten kunnen terugvallen”. Het hele jaar door heeft de Bodemkundige Dienst op het terrein zestien voltijdse bodemstaalnemers, die aangevuld worden door een honderdtal freelancers die met een portie goodwill de lokale boeren willen helpen door op jaarbasis enkele staalnamen uit te voeren.

Kijk, groenbemesters! De kostprijs voor een staal schommelt rond vijftig euro, maar volgens Vandendriessche is die investering zijn geld meer dan waard. “Slechts op een klein aantal percelen is de bodembalans perfect in evenwicht. Boeren die op basis van ons advies bemesten en daardoor bijvoorbeeld de zuurtegraad van hun grond weer op peil brengen, boeken gauw een meeropbrengst van tien procent”, luidt het. En er zijn nog meer voordelen op komst. De Bodemkundige Dienst lanceert een systeem dat het voor landbouwers mogelijk maakt om op perceelsniveau de evolutie van de bodemkwaliteit in kaart te brengen en op te volgen in de tijd. Doordat de boeren alle bodembewerkingen in een database kunnen pompen, moet ook duidelijk worden welke handelingen tot welke opbrengsten leiden. Daar zullen bovendien ook een soort isobaren voor bodemvruchtbaarheid aan toegevoegd worden: landbouwers zullen daardoor weten welke resultaten ze op basis van becijferde gemiddelden in een bepaalde streek zouden moeten behalen, mits ze uiteraard rekening houden met een uitgekiende reeks randvoorwaarden. “Die interactieve aanpak gaat gegarandeerd aanslaan”, zegt Vandendriessche enthousiast.

Maar worstelt de Vlaamse landbouwgrond dan niet met grote vruchtbaarheidsproblemen? Net voor de instelling de deuren sloot, waarschuwde het Steunpunt Duurzame Landbouw er nog eens voor, ook al omdat een gebrek aan organische stof in de bodem eveneens repercussies heeft op de klimaatverandering. “We moeten geen doodsklokken luiden, maar het kan geen kwaad om een belletje te laten rinkelen”, erkent Vandendriessche. “Ongeveer een derde van de Vlaamse percelen heeft in het verleden altijd gekampt met een te laag humusgehalte, maar er is wel sprake van een gemiddelde achteruitgang van het organische stofgehalte. Dat heeft niet alleen te maken met de veel grotere volumes drijfmest die op het land terechtkomen. Andere boosdoeners zijn de toegenomen ploegdiepte en gescheurde weilanden, waar het koolstofgehalte na een aantal jaren afneemt. “In onze adviezen krijgt het humusgehalte tegenwoordig extra aandacht”, garandeert Vandendriessche. “Als remedie kunnen landbouwers onder meer oogstresten, stalmest, groenbemesters, stro en compost gebruiken. Wij leveren alle cijfergegevens aan zodat onze klant de juiste keuze voor zijn specifiek bedrijf kan maken. Lange tijd hebben we staan roepen in de woestijn, maar als ik dit jaar een inschatting maak van het ingezaaide areaal groenbemesters, dan merk ik dat de land- en tuinbouwers echt wel met het thema bezig zijn”.

Minder bekend is dat de bemestingsadviezen van de Bodemkundige Dienst ook op de preventie van ziekten gericht zijn: een te hoog stikstofgehalte kan aanleiding geven tot witziekte en omvallend graan, een te lage zuurtegraad leidt tot knolvoet bij kolen en een te hoge zuurtegraad – door verse bekalking – veroorzaakt aardappelschurft. “Boeren weten heel goed dat ze de witziekte nog wel kunnen behandelen met pesticiden, maar aantastingen zoals aardappelschurft en gelegerd graan leiden onherroepelijk tot kwaliteits- en inkomstenderving. De meeste landbouwers zijn dus vooruitziend, al duiken ieder jaar nog wel een aantal mensen op die in de zomerperiode een bodemanalyse laten uitvoeren nadat ze merken dat de kiemende bieten door een slechte zuurtegraad van de bodem afsterven. Gelukkig gaat het om een minderheid. Wie pas een nieuw perceel aankocht, komt ook wel eens voor verrassingen te staan”. De jongste twintig jaar is de Bodemkundige Dienst zich ook gaan bekommeren om de bodemwaterbalans. Voor heel wat teelten werd een adviessysteem uitgewerkt, waardoor op basis van een staal in het voorjaar en dagelijkse klimaatmetingen de waterbehoefte van de plant permanent opgevolgd wordt. “Dit jaar hadden veel aardappelen te lijden onder glazigheid en doorwas. Telers die onze irrigatie-adviezen opvolgden, hadden er helemaal geen last van. Daar ben ik fier op”, zegt Vandendriessche.

Exacte wetenschap? Het gebruik van fosforarme voeders heeft het mestoverschot de voorbije jaren flink doen dalen, geholpen door de warme sanering van de veestapel en de langzaam op gang komende mestverwerking. Het spoor van de oordeelkundige bemesting heeft tot hiertoe zo goed als geen resultaat opgeleverd. Dit wordt bevestigd door het feit dat de Mestbank geen signalen opvangt dat landbouwers verschillende soorten dierlijke mest zouden mengen of bewerken om een optimale verhouding tussen stikstof en fosfor te bekomen, op maat van het gewas. Zo staat het letterlijk te lezen in het Voortgangsrapport 2005 van de Mestbank. Vandendriessche benadrukt dat er wél vooruitgang is geboekt: “Enkele jaren geleden mochten landbouwers nog de hele winter door bemesten. Nu is er voldoende opslagcapaciteit uitgebouwd om de mest op het juiste tijdstip toe te dienen. Dan is het enkel nog een kwestie om de mestgift aan te passen aan de behoefte van bodem en plant. Bij de meeste boeren is van overbemesting helemaal geen sprake. Op jaarbasis voert de Bodemkundige Dienst overigens 4.000 mestanalyses uit waardoor landbouwers de minerale samenstelling en bemestingswaarde van hun dierlijke mest perfect kennen. Wel ben ik ervan overtuigd dat we met onze mestontledingen nog maar de helft van het potentieel aantal landbouwers aangeboord hebben. Er is dus nog een groeimarge”.

Goede klanten bij de Bodemkundige Dienst zijn de mestverwerkers. Naast de bodemverbeteraar die geëxporteerd wordt, moeten zij namelijk ook het effluent van het verwerkingsprocédé afzetten, meestal is dat een zoutig goedje waarvan de gebruiker maar beter de samenstelling kent om bij te sturen met andere meststoffen. Dat het voor landbouwers een huzarenstukje is om met hun bemesting nitraatuitspoeling te voorkomen, klopt volgens Vandendriessche niet. “Wie zijn minerale bodembalans onder controle heeft en bemestingsadviezen opvolgt, kan nooit met overmatige uitspoeling te maken krijgen. Dat het vaak of weinig regent, heeft dan zelfs geen belang. Bij bedrijven die hun bodem niet onder controle hebben, duurt het met de juiste aanpak hooguit twee jaar om de toestand te normaliseren, behalve bij bodems met een zeer hoge mineralisatiecapaciteit zoals bijvoorbeeld in de groentenstreek rond Sint-Katelijne-Waver, waar jarenlang tonnen stalmest werden toegediend”. Klopt het dan niet dat vochtig en warm weer in september een hoog humusgehalte zodanig mineraliseert dat de norm van 90 kilo stikstof per hectare toch overschreden wordt? “Ook in dat geval kan een groenbemester wonderen verrichten. Zelfs met de teelt van groenten en aardappelen zijn er dan mogelijkheden om onder de norm te blijven. Het is onze taak om de landbouwers de nodige kennis hiervoor aan te reiken. Daarom blijven we voordrachten geven. Waarbij we telkens ook uitleggen dat in het mestactieplan de maximale maar niet de optimale bemestingsnormen vermeld staan”.

Wie als particulier zelf wil experimenteren met minerale bodembalansen in zijn tuin, kan al 25 jaar bij de Bodemkundige Dienst terecht. Jaarlijks is dit segment goed voor ongeveer 1.400 analyses, en de belangstelling hiervoor blijkt in de lift te zitten. In vergelijking met landbouwers zijn particulieren wel ‘moeilijke’ klanten, zegt Vandendriessche. Doorgaans gebruiken ze veel te veel meststoffen en bovendien worden ze erg onevenwichtig ingezet. “Zoiets vind je in de landbouw niet”.


Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek