Vanaf 2015 zijn er alleen nog 'groene' boeren
nieuwsOver de vergroening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) leeft een hardnekkig misverstand, met name dat ze optioneel zou zijn. Het tegendeel is waar want het niet naleven van de verplichting kost een boer niet alleen zijn vergroeningspremie maar minstens ook een gedeelte van zijn basisbetaling. Weliswaar zijn er op de verplichting vrijstellingen waar een groot aantal landbouwers van zullen genieten. Tijdens de infosessies van de Vlaamse overheid over het GLB wordt de essentie van de vergroening nog eens op een rij gezet: gewasdiversificatie, behoud van blijvend grasland en ecologisch focusgebied.
Vanaf 2015 moet een landbouwer nog een stukje harder zijn best doen om de Europese inkomenssteun te verdienen. Vergroening is het codewoord. Op een bioboerderij zit dat ingebakken in de bedrijfsvoering zodat de biologische landbouw een vrijstelling geniet op de nieuwe verplichting. Alle andere begunstigden van inkomenssteun – vanaf volgend jaar in de vorm van nieuwe betalingsrechten – dienen na te gaan of de drie vergroeningsmaatregelen voor hen van toepassing zijn.
De eerste in dat lijstje van drie is gewasdiversificatie. Op landbouwbedrijven met tien hectare of meer bouwland moeten er ten minste twee verschillende gewassen geteeld worden. Vanaf 30 hectare zijn dat er drie. Voor het goede begrip, bouwland kan je begrijpen als akkerland. Wanneer een boer van zijn subsidiabel areaal het blijvend grasland en blijvende teelten zoals boomgaarden aftrekt, dan is wat overblijft het bouwland. In Brussel werd beslist dat diversificatie geen hol woord mag zijn. Daarom mag het hoofdgewas bij twee teelten maximaal 75 procent van het bouwland innemen. Idem dito bij drie teelten, waarbij er nog aan toegevoegd wordt dat minstens vijf procent van de oppervlakte moet gereserveerd worden voor één of meerdere andere gewassen.
Met de tweede eis, behoud van blijvend grasland, zijn Vlaamse boeren al jaren vertrouwd in het kader van de randvoorwaarden. Als overgangsmaatregel blijft die regeling op basis van individuele referentiearealen in 2015 en 2016 nog van toepassing. De nieuwe regeling onder vergroening bevat een tweeluik: een generieke bescherming van blijvend grasland en een bescherming van ecologisch kwetsbaar blijvend grasland zoals we die nu ook al kennen uit de Vlaamse wetgeving.
De generieke regeling onder vergroening vertoont een duidelijke trendbreuk ten opzichte van de huidige regeling onder de randvoorwaarden. Het individueel referentieareaal blijvend grasland op boerderijniveau wordt losgelaten en vervangen door een regionale benadering. Vanaf 2015 zal op Vlaams niveau de verhouding van het areaal blijvend grasland op het totaal areaal landbouwgrond worden vergeleken met een nieuw vast te stellen referentieverhouding. Het areaal blijvend grasland in 2012 geldt daarbij als uitgangspunt voor de bepaling van de referentieverhouding.
Zolang de jaarlijks berekende verhouding met niet meer dan vijf procent daalt ten opzichte van de referentieverhouding, gelden er geen specifieke verplichtingen voor de boeren. Zetten boeren echter massaal de ploeg in hun grasland waardoor de daling wel meer dan vijf procent bedraagt, dan verplicht Europa tot een algemeen scheurverbod. Bovendien zullen landbouwers die recent blijvend grasland omploegden, verplicht worden om opnieuw gras te zaaien. Het areaal blijvend grasland kan dus slechts binnen een beperkte marge dalen.
De derde vergroeningsmaatregel is ecologisch aandachtsgebied. In de aanloop naar de hervorming botste deze eis op grote weerstand binnen de landbouwsector omdat het sterk deed denken aan de verguisde braakleggingsverplichting. De zeven procent waarvan oorspronkelijk sprake was, werd afgezwakt naar vijf procent. Bovendien zijn het alleen de boeren met meer dan 15 hectare bouwland die vijf procent moeten reserveren voor ecologisch aandachtsgebied.
Vlaanderen heeft gekozen voor een ruime invulling van het concept. Braak (1) kan maar zal wellicht niet de eerste keuze van de boer zijn. Economisch interessantere opties zijn een mengsel van groenbedekkers (0,3), stikstofbindende gewassen andere dan grasklaver (0,7), agroforestry (1) en hakhout met een korte omlooptijd (0,3). Verder is er keuze uit bufferstroken waarop geen landbouwproductie toegelaten is (1,5), subsidiabele stroken langs bosranden (met productie 0,3 en zonder productie 1,5), beboste gebieden (1) en landschapselementen (1,5 of 2).
Niet iedere keuze wordt door Europa even sterk naar waarde geschat. Een akkerbouwer die de verplichting louter en alleen invult met de groenbedekker na granen zal meer dan drie keer zo veel ecologisch aandachtsgebied moeten aangeven als de collega die agroforestry introduceert op zijn bedrijf. Bij elke mogelijke invulling van het ecologisch aandachtsgebied plaatsten we in bovenstaande alinea tussen haakjes de wegingsfactor die gebruikt zal worden. Een hoog cijfer wijst erop dat Europa het milieueffect van de maatregel hoog inschat.
Meer weten? Voor land- en tuinbouwers worden deze maand GLB-infosessies georganiseerd, fruittelers zijn begin november aan de beurt.
Beeld: Loonwerk Defour