Tien mythes over land- en tuinbouw
duidingStelling: ‘Om te boeren moet je niet slim zijn’
“De denigrerende uitspraak ‘hij is alleen nog goed om boer te worden’ zegt veel over het gebrek aan kennis van het landbouwersvak. Een landbouwer of landbouwster van de 21ste eeuw moet meer doen dan beesten voederen en stallen uitmesten. Hij of zij moet niet alleen over een nuchtere dosis ‘boerenverstand’ beschikken, maar ook kaas gegeten hebben van fokkerij, diergeneeskunde, teeltvariëteiten, gewasbescherming, machinebeheer, boekhouding, wetgeving, recht en ga zo maar door. Een land- of tuinbouw(st)er is vandaag de dag in de eerste plaats een bedrijfsleider, een manager.
Uit een enquête in 2002 in opdracht van VILT bleek dat amper 15 procent van de Vlamingen landbouwers als hooggeschoold aanzien. Een onterechte achterhaalde visie, want was tien jaar geleden één op de drie startende landbouwers nog laaggeschoold, dan is dat nu nog amper 1 op de 20. Bekijk je de scholingsgraad per leeftijdscategorie, dan merk je een duidelijke kentering. Bij de landbouwers boven de 50 jaar is bijna 80 procent laaggeschoold, bij de landbouwers jonger dan 30 jaar is dat nog amper 11 procent. Onder de jonge niet-boeren is een hoger percentage laaggeschoold. Ongeveer één op de drie hooggeschoolde landbouwers heeft een universitair diploma op zak, verhoudingsgewijs evenveel als bij niet-landbouwers. Nog een mooi cijfer: bijna één op de 100 landbouw(st)ers heeft een doctoraatstitel behaald, tegenover 1 op de 200 bij niet-landbouwers…”
Stelling: ‘Vlaanderen heeft geen eigen landbouw nodig’
“Landbouw is, van in de oertijd, altijd en overal de voorbode geweest van verdere ontwikkeling. Het moet zowat de eerste les van de economie zijn: landbouw genereert als primaire sector activiteiten en jobs in de verwerkende industrie en de dienstensector. En niet te vergeten: samen met zo veel andere factoren – een betere geneeskunde, betere arbeidsomstandigheden enzovoort – heeft een gevarieerder, groter en kwaliteitsvoller voedselaanbod onze levensverwachting de voorbije anderhalve eeuw mee helpen verdubbelen. Het is nog nauwelijks voor te stellen dat rond 1845 de gemiddelde levensverwachting 39,1 jaar was voor de mannen en 39,6 jaar voor de vrouwen. In de ontwikkelingslanden krijgen de boeren nog altijd geen ontwikkelingskansen. Vaak bedraagt het landbouwbudget slechts vijf procent van de nationale begroting. De gevolgen zijn nefast: het aantal voedselcrisissen in Afrika is sinds 1985 bijna verdrievoudigd.
Ook in het rijke Vlaanderen is het uiterst belangrijk dat we voor ons voedsel niet te afhankelijk zijn van anderen. Voedsel is en blijft immers een strategisch goed. Stel dat de wereldwijde melkproductie in Nieuw-Zeeland en Australië wordt geconcentreerd. Dat lijkt me uiterst risicovol. Wat als de melk om een of andere reden niet in onze contreien geraakt? Wat als een besmettelijke ziekte ‘down under’ de productie dwarsboomt? Wat als het verre continent bijvoorbeeld getroffen wordt door droogte, zoals momenteel het geval is? Het verzekeren van een eigen productie is dus het motto. Dat geldt trouwens niet alleen voor voedsel, maar ook voor energie. Het is dan ook niet zonder reden dat Landbouw en Energie niet onder de minderportefeuille Economie ressorteren, maar aparte bevoegdheden zijn.”
Stelling: ‘De Vlaamse landbouw stelt niks voor’
“Frustrerend is het: elke keer als het Vlaams ‘landbouwrapport’ wordt voorgesteld of als er weer statistieken over de evolutie in de landbouwsector worden gepubliceerd, focussen de media op het slinkend aantal bedrijven. De cijfers zijn inderdaad spectaculair: 10 jaar geleden telde Vlaanderen nog 44.527 land- en tuinbouwbedrijven, vandaag nog 34.410. Ik ben een zoon van een schilder-behanger. Daar zijn er nu ook veel minder van dan enkele decennia geleden. Hoeveel brouwerijen telt Vlaanderen nog? Hoeveel textielbedrijven? De blijvers wisten hun zaak wel goed uit te bouwen en boeren goed. Waarom dan niet aanvaarden dat hetzelfde gebeurt in de land- en tuinbouwsector?
De Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven boeken samen een gemiddelde productiewaarde van bijna 4,5 miljard euro. De bijna 67.000 voltijdse en deeltijdse banen zijn geen reden om meewarig over te doen. Zeker niet als je berekent dat de sector ook nog eens werk creëert voor bijna 62.000 mensen in de Vlaamse voedingssector. Die is na de metaalnijverheid overigens de grootste industriële werkgever in Vlaanderen. De Belgische handel in landbouwproducten is goed voor een positieve handelsbalans van 2,3 miljard euro. Ons land is de vijfde grootste uitvoerder van agro-voedingsproducten. We zijn de grootste exporteurs van peren, prei, diepvriesgroenten. In Duitsland noemen ze de manier waarop onze erg versnipperde varkenssector kan standhouden tegenover de buitenlandse multinationals ‘ein Belgisches Wunder’”.
Stelling: ‘Land- en tuinbouwers zijn milieuvervuilers’
“Als de landbouwsector de jongste tijd in één dossier reuzenstappen vooruit heeft gezet, is het wel in het milieudossier. Sinds 1990 is de waarde van de landbouwproductie gestegen met maar liefst 47 procent, terwijl de milieudruk duidelijk afneemt. Een prestatie die bijvoorbeeld nog niet bereikt is door de Vlaamse huishoudens. De broeikasgasemissies en het energiegebruik stijgen bij hen sneller dan het aantal gezinnen. Tussen 1990 en 2004 is de totale energieconsumptie in Vlaanderen met maar liefst 34 procent gestegen, terwijl het energiegebruik in de landbouw met 5 procent is gedaald. En nog goed nieuws: de verzuring van het leefmilieu door de landbouw is met 47 procent gedaald sinds 1990, de druk op het leven in waterlopen door het gebruik van pesticiden is gehalveerd.
De mestoverschotten zijn de voorbije jaren systematisch geslonken: van 35 miljoen kilogram fosfaten en 56 miljoen kilogram stikstof in 1998 tot 3,3 miljoen kilogram fosfaat en 13,5 miljoen kilogram stikstof. Maar er is nog geen reden om op onze lauweren te rusten. De waterkwaliteit is er op vooruit gegaan, maar nog altijd wordt op 42 procent van de meetpunten minstens één maal per jaar te veel nitraat afkomstig uit bemesting gemeten. Anderzijds is het een misverstand dat alleen de landbouwsector verantwoordelijk is voor de vermesting van het leefmilieu: het aandeel van de landbouw in de totale uitstoot van nitraat en fosfaat in Vlaanderen is sinds 1990 gedaald van 80 naar ongeveer 68 procent”.