"Op weg naar één sterke landbouwpijler"
duidingHoe moet het na 2013 met de rechtstreekse inkomenssteun? Moet de overheid straks meer investeren in kwaliteit? Het debat over de toekomst van het EU-landbouwbeleid barst los. De Nederlandse landbouwminister Gerda Verburg bijt de spits af.
Hoe moet Europa de dynamiek en de verdere ontwikkeling van het Europese platteland ondersteunen? Hoe ziet u met name de verhouding tussen de eerste en tweede pijler verder evolueren?
Gerda Verburg: ‘Het platteland is zeer divers in de verschillende EU-lidstaten. Elk met een eigen problematiek én met eigen kwaliteiten. Dat zal zich ook moeten uiten in de wijze waarop Europees de ontwikkeling van het platteland vorm en inhoud krijgt. Ruimte voor nationaal en/of regionaal maatwerk is dan ook essentieel. Maar ook duidelijk is dat een vitaal platteland niet kan zonder een vitale landbouw. De Nederlandse en Vlaamse landbouw lijken in dit verband veel op elkaar, want zij hebben beiden grote innovatieve ambities op een beperkt landareaal. Kenmerkend voor het Nederlandse platteland is de naar Europese begrippen hoge bevolkingsdruk, de intensiteit van het grondgebruik en het grote landoppervlak dat de primaire agrarische sector in gebruik heeft. Uit onderzoek blijkt weinig reden tot bezorgdheid over de ontwikkeling van werk en inkomen in de dunner bevolkte gebieden van Nederland. Belangrijk is het behoud van de duurzame kwaliteit van het landschap.
De uitdagingen waar de Europese land- en tuinbouwsector de komende jaren voor staat, zijn niet beperkt tot een deel van de sector of een deel van het landelijk gebied, maar raken de gehele Europese land- en tuinbouw in alle geledingen en in alle lidstaten. Onze welvaart en de kwaliteit van ons landelijk gebied en landschap hangen daarbij voor een belangrijk deel af van de vraag of de agrarische sector zich krachtig kan blijven ontwikkelen. Met andere woorden, of er stimulansen zijn voor innovatie en diversificatie en wat de mogelijkheden zijn te investeren in de kwaliteit van natuur en landschap'.
Reageer op dit antwoord
Moet de komende jaren extra geïnvesteerd worden in kwaliteit, export, ten nadele van rechtstreekse inkomenssteun?
Gerda Verburg: 'Vanuit het Nederlandse perspectief kan het bestaande instrumentarium van markt- en prijsbeleid en van generieke inkomenssteun verder worden afgebouwd en worden vervangen door een systeem dat de verdere innovatie, verduurzaming, en marktoriëntatie van de sector stimuleert. Dit in combinatie met een beloning van maatschappelijke prestaties en een compensatie voor aanmerkelijke belemmeringen bij de agrarische bedrijfsuitvoering, dan wel wettelijke restricties die verder gaan dan gebruikelijk voor soortgelijke agrarische bedrijven in de EU.
De omvorming van het bestaande stelsel van inkomenssteun naar een beloningssysteem voor maatschappelijke prestaties zal leiden tot een sterke vervaging van de nu nog scherpe grenzen van de beide pijlers van het GLB. De uitkomsten van de ‘health check’ laten zien dat deze waterscheiding al wat transparanter worden. Op termijn zie ik dan ook geen aanleiding meer om twee pijlers te onderscheiden, maar wel een noodzaak voor één sterke Europese landbouw- en plattelandspijler.’
Reageer op dit antwoord
Wat is de rol van de Nederlandse landbouw in de wereldvoedselproblemtiek?
Gerda Verburg: ‘Ik vind dat het thema van de mondiale voedselproblematiek de hele Unie aangaat, en niet alleen moet bekeken worden binnen het kader van de Nederlandse landbouw. Het doel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ten aanzien van voedselzekerheid is opnieuw actueel, zij het in een gewijzigde context. Daar waar tot op heden het doel met name was gericht op voedselzekerheid in Europa, zal de Europese landbouw in de toekomst meer dan voorheen een bijdrage leveren aan de mondiale voedselzekerheid. Dit brengt nieuwe verantwoordelijkheden voor de EU met zich mee. De mondiale demografische ontwikkelingen zijn van grote betekenis voor de wereldvoedselvoorziening. De Verenigde Naties schatten dat de wereldbevolking in 2025 ongeveer 7,8 miljard en in 2050 9 miljard mensen zal tellen. Dat betekent een toename van 50 procent in 50 jaar. De bevolking van Europa neemt niet toe en veroudert. Beide feiten hebben een grote invloed op de toekomstige vraag naar voedsel in de wereld, zowel kwantitatief als kwalitatief. In opkomende economieën zoals China en India neemt de vraag naar hogere kwaliteitsvoedingsmiddelen sterk toe. Wil het aanbod op deze vraag kunnen inspelen dan zal de voedselproductie wereldwijd moeten toenemen en ook veilig dienen plaats te vinden.
De Europese voedselproductie zal vanwege de demografische ontwikkeling vooral productiever moeten worden door innovatie en verduurzaming, het zorgvuldig benutten van de mogelijkheden op het vlak van ‘groene genetica’ speelt een belangrijke rol. Stijgende prijzen voor voedsel en brandstof raken ons allemaal, maar ze raken de armen en kwetsbaren in ontwikkelingslanden het meest. Internationale afspraken zijn gemaakt over structurele investeringen in de landbouw gericht op productiviteitsstijging en duurzamere productie. Landbouw blijft ook in de 21ste eeuw een fundamenteel instrument voor economische groei en armoedebestrijding, vooral in Afrika. Innovatie en versterking van kennis en onderzoek zijn cruciaal om deze ontwikkeling in ontwikkelingslanden mogelijk te maken. Europa heeft om die reden zowel een verantwoordelijkheid waar het gaat om het bevorderen van de Europese en wereldwijde voedselproductie, met name door middel van het stimuleren van technologie- en kennisoverdracht om de landbouwontwikkeling in ontwikkelingslanden te versterken, maar ook ter versterking van de markttoegang en liberalisering van de handel in agrarische producten. Ook Nederland investeert vanuit deze invalshoek in de ontwikkeling van de landbouw in derde landen.’
Hoe vindt u dat het ondernemerschap van de landbouwers verder kan worden gestimuleerd? Wat is de rol van de overheid hierin in de toekomst?
Gerda Verburg: ‘Succesvolle ondernemers maken keuzes met het oog op een goede positie van hun product in de markt, op basis van een visie op wat de ondernemer wil met het bedrijf, het kennen van eigen sterktes en zwaktes en tot slot een gevoel voor en kennis van wat er in de samenleving gebeurt en gaat gebeuren. Om te kunnen blijven innoveren, moeten ondernemers daarom voortdurend over een hoog kennisniveau beschikken, waarbij het van wezenlijk belang is dat ze van elkaar kunnen leren en gemakkelijk toegang hebben tot aanwezige kennis bij instellingen en instituties.
Toegang tot kennis, advies en demonstratieprojecten moeten daarom extra aandacht krijgen. Nederland vindt het van groot belang dat boeren gebruik kunnen maken van (vernieuwend) onderwijs, kennisverspreiding en informatieoverdracht via onder meer lerende netwerken waarbij ondernemers van en met elkaar leren, om zo de kwaliteit van hun ondernemerschap te vergroten. De rol van de overheid daarbij is en blijft een ondersteunende en faciliterende, in samenwerking met private partijen. Het gegeven dat het ‘op groen gericht onderwijs’ in Nederland onder de verantwoordelijkheid valt van de minister van LNV, bewijst daarin zijn meerwaarde.’
Reageer op dit antwoord
Inspelen op veranderende marktomstandigheden is een noodzaak om als sector te kunnen overleven. Wat kan de overheid op dit vlak doen?
Gerda Verburg: ‘Krachtige agroketens zijn belangrijk voor economische ontwikkeling, welvaart en werkgelegenheid. Kennis en innovatie zijn daarbij essentieel, nu én straks. Dit is naar mijn oordeel van de allerhoogste prioriteit en daarom de eerste bouwsteen voor het vernieuwde Europees landbouwbeleid dat ik in de Houtskoolschets beschrijf. Innovatie is nodig om in een wereld waarin de Europese landbouw steeds meer op wereldmarktniveau zal moeten concurreren om vitaal en competitief te blijven. En innovatie opent de deuren naar duurzame groei en meer werkgelegenheid en helpt Europa maatschappelijke problemen het hoofd te bieden en uitputting van (natuurlijke) hulpbronnen te voorkomen. Ook een goede kennisontsluiting is daarbij van belang.
Bij een sterkere marktoriëntatie van de gehele sector mag de rol van de overheid niet te dominant zijn. De overheid stimuleert de ontsluiting van bestaande kennis, de ontwikkeling van nieuwe kennis en ondersteunt innovatieve projecten vanuit het landbouwbedrijfsleven. Het gaat dan zowel om verhoging van de productiviteit, als het inspelen op (niche)vragen uit de markt, bijvoorbeeld om ‘gezondere’ producten, als om vragen uit de samenleving, bijvoorbeeld het sluiten van kringlopen, nieuwe voedselstrategieën of houderijsystemen die milieu- of diervriendelijker zijn.
Tegelijkertijd kunnen externe omstandigheden zo’n grote invloed hebben dat er serieuze risico’s kunnen optreden voor de concurrentiekracht en de continuïteit van agrarische ondernemers waardoor een vorm van risicobeheer noodzakelijk is. De financiering ervan kan in het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden verankerd. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om interventie snel te kunnen inzetten wanneer en zo lang het nodig is. Prijsrisico’s of risico’s die privaat verzekerbaar zijn in de markt, blijven wat mij betreft ook in de toekomst de primaire verantwoordelijkheid van ondernemers en marktpartijen. De overheid moet de totstandkoming van private instrumenten voor risicobeheer stimuleren waar het gaat om productierisico’s als gevolg van crises van klimatologische of fytosanitaire/veterinaire aard.’
Reageer op dit antwoord
Moeten de landbouwers zich beter organiseren om problemen gezamenlijk per sector aan te pakken?
Gerda Verburg: ‘In een ontwikkeling die op kortere of langere termijn onontkoombaar zal leiden tot een verdere liberalisering van de wereldhandel in agrarische producten, is samenwerking tussen producenten en van producenten met partijen verderop in de keten van groot belang: twee kunnen meer dan één. Uiteindelijk zijn zij het die bepalen welke producten op welke manier worden geproduceerd en inspelen op wensen van de markt en waar de samenleving om vraagt. Bijvoorbeeld op het vlak van een diervriendelijker en duurzamere landbouwproductie. Het is daarom van cruciaal belang dat de landbouw- en tuinbouwsectoren de krachten bundelen en op korte en langere termijn een krachtige afzetpositie ontwikkelen op de Europese en wereldmarkt.
De landbouwsector in Nederland heeft zich hiervoor in de afgelopen decennia een uitstekende uitgangspositie verworven. Als het gaat om innovatiekracht en het ontwikkelen en toepassen van nieuwe kennis zijn de Nederlandse agrosector en het kenniscluster toonaangevend in de wereld. De sector is mondiaal een van de belangrijkste voedselexporteurs en levert producten van hoge kwaliteit. De Nederlandse agrarische sector is daarnaast ook goed en sterk georganiseerd, zowel op het niveau van de primaire producenten als met partijen in de keten van verwerking en handel. Dit bepaalt mede de huidige kracht van de Nederlandse land- en tuinbouw. Alleen bij voldoende georganiseerde samenwerking is de sector in staat deze positie op langere termijn te behouden of uit te breiden.’