Maar goed de helft van de boeren denkt aan investeren
nieuwsTussen nu en 2020 wil 56 procent van de Europese boeren en tuinders investeren in zijn of haar bedrijf. De meesten gaan daarvoor niet lenen maar putten uit eigen middelen. In de interviews met het studiebureau van de Europese Commissie (Joint Research Center) vermeldt 40 procent van de landbouwers dat er een aankoop van machines op stapel staat. Het aantal landbouwers dat nog andere plannen koestert, is beperkt: 21 procent van de 780 ondervraagde Duitse, Spaanse, Franse, Italiaanse, Poolse en Tsjechische boeren denkt eraan om grond te kopen, 20 procent wil investeren in gebouwen, 16 procent in opleiding en 3 procent in productierechten. Op grote bedrijven is er meer animo om te investeren.
In het voorjaar van 2013 hebben onderzoekers van het Joint Research Center interviews afgenomen van 780 landbouwgezinnen in zes lidstaten: Tsjechië, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië en Polen. Zij klopten aan bij zowel akkerbouwers, tuinders, veehouders als landbouwers met een gemengd bedrijf. Daarbij hebben ze erop gelet om zowel groot- als kleinschalige bedrijven mee te nemen in hun onderzoek.
Een kleine meerderheid van de ondervraagde landbouwers (56%) koestert investeringsplannen voor de periode 2014-2020. Meestal zijn het machines die op het verlanglijstje staan, in mindere mate ook landbouwgrond, gebouwen, opleiding en productierechten. De meeste boeren zijn zinnens om hun investeringen te spreiden, 28 procent concentreert zich op één aspect van het bedrijf.
Het profijt dat van de investeringen verwacht wordt, betreft in de meeste gevallen betere arbeidsomstandigheden en een verbetering van de productkwaliteit. Het valt de onderzoekers op dat een verhoging van de productie en een reductie van de kostprijs niet dikwijls genoemd worden als beweegredenen.
De investeringen die zullen gebeuren, worden hoofdzakelijk gefinancierd uit de kasstroom. Slechts drie procent van de investeringen in landbouwgrond, gebouwen en machines zou betaald worden met vreemd kapitaal. Je zou dan kunnen verwachten dat een gebrek aan eigen middelen de voornaamste reden is om niet te investeren, maar dat blijkt niet uit de interviews. Behoedzame boeren zien gewoon geen reden om te investeren of ze haken af op de onzekere terugverdientijd.
Ongeveer een kwart van de ondervraagde landbouwers geeft aan dat zij in de periode 2008-2012 minstens éénmaal beroep hebben gedaan op investeringssteun uit het plattelandsbeleid. In 89 procent van de gevallen was de aanvraag succesvol en kwam de overheid met geld over de brug. Het Joint Research Center merkt wel op dat de slaagkansen sterk verschillen naargelang de lidstaat. Meestal ging de steun naar de modernisering van het landbouwbedrijf in de vorm van een overheidstussenkomst bij de aankoop van materiaal.
In de analyse van de interviews speuren de onderzoekers naar verschillen tussen de zes lidstaten. Zo blijken Italiaanse boeren minder investeringsbereid (28%) dan hun collega’s terwijl de grote toekomstplannen voor de eerstkomende jaren vooral van de Duitse (76%) en Franse (67%) boeren komen. Hoe groter een landbouwbedrijf is, hoe groter de kans is dat de bedrijfsleider investeringen plant. Dat merken de onderzoekers vooral op bedrijven die meer dan 50 hectaren bewerken of meer dan 50 stuks vee houden. Van alle sectoren zijn akkerbouwers het vaakst (65%) zinnens om te investeren, meestal in machines en opleiding.
De begunstigden van Europese landbouwsubsidies koesteren meer plannen om te investeren dan hun collega’s die het zonder overheidssteun moeten rooien. Toch durven de onderzoekers niet spreken van een oorzakelijk verband. Wel zouden er steeds meer aanwijzingen zijn dat de directe inkomenssteun aan landbouw de investeringsbereidheid in de sector bevordert. Twee redenen worden daarvoor aangehaald: het inkomensrisico verkleint door de bedrijfstoeslag vanuit Europa en er wordt geld verstrekt in tijden dat de banken ‘moeilijk durven doen’ over investeringen.
Meer info: JRC-studie
Beeld: Loonwerk Defour