duiding

Loonwerk

duiding
Landbouw dankt zijn spectaculaire ontwikkeling aan loonwerk
11 maart 2013  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:53

De voorbije halve eeuw is de landbouw totaal van uitzicht veranderd. Loonwerkers speelden een belangrijke maar onderschatte rol in die spectaculaire ontwikkeling. Vanaf het einde van de 19e eeuw tot na de Tweede Wereldoorlog trokken zij met dorsmachines door het land. De doorbraak van de tractor en andere moderne machines, vaak niet rendabel voor inzet op één landbouwbedrijf met een beperkte schaalgrootte, zorgde voor nieuwe loonwerkactiviteiten: aardappelen en bieten rooien, hooi en stro persen, het spuiten van gewassen, enz. Loonwerk ontleent zijn bestaansrecht aan de technologische voorsprong op landbouw. Maar dat eist zijn tol: anno 2013 maken loonwerkers zich zorgen over de kostprijs van het materiaal. De concurrentie in de sector is moordend. De energie- en loonkosten wegen op het inkomen.

Landbouw-Service, de 50 jaar jonge beroepsvereniging van de loonwerkers, ijvert voor meer waardering voor deze bijzondere stiel. “Loonwerkers hebben een belangrijke taak in de voedselketen”, liet afscheidnemend voorzitter Lionel Vanneste optekenen op het loonwerkerscongres in Londerzeel. Wie de geschiedenis van het loonwerk kent, zal allerminst geneigd zijn om het belang van de sector in twijfel te trekken. In opdracht van Landbouw-Service vatte het Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG) de evolutie van de Belgische loonwerksector en van beroepsvereniging Landbouw-Service samen in een boek.
geschiedenis.landbouw_CAG.2.png
Het boek ‘Mensen en machines’ legt de oorsprong van het loonwerk in het machinale dorsen. “Het manuele dorsen van graan met de vlegel was een tijdrovende, eentonige en vermoeiende bezigheid. De ontwikkeling van de dorsmachine was zowat de eerste gemechaniseerde activiteit in de landbouw”, schrijft historicus Bert Woestenborghs. Tot aan de Tweede Wereldoorlog bleef loonwerk voornamelijk beperkt tot het stationair dorsen van graan.

In de jaren ’50 startte een “revolutie in landbouw en loonwerk” die tot op vandaag nog gaande is. Het was de periode waarin de tractor zijn doorbraak kende en het lot bezegelde van de meer dan 240.000 paarden die in de jaren ’40 actief waren in de landbouw. De grote boerderijen gingen eerst uit van zelf aangekochte machines. “Pas wanneer er voldoende loonwerkers terdege uitgerust waren, werd almaar meer werk uitbesteed”, weet Woestenborghs. De grote rooimachines voor aardappelen en bieten, de maaidorsmachines, zelfs de tractoren waren voor het gros van de boeren geen rendabele aankoop in verhouding tot de schaalgrootte van het bedrijf.

tractor_CAG.2.pngOp dat ogenblik begon volgens het boek de verbreding van loonwerkactiviteiten. Eén van die activiteiten werd het spuiten van gewassen. Voor het eerst in de geschiedenis was men in staat om de gewassen efficiënt te beschermen tegen plagen en ziekten. Vooral in West-Vlaanderen investeerden nogal wat loonwerkers na de oorlog in toestellen voor het toedienen van gewasbeschermingsmiddelen. Niet zelden werd een jeep ingezet voor de gemotoriseerde aandrijving en het transport van het spuittoestel. In 1952 werden in ons land meer dan 4.500 jeeps ingezet voor het werk op het veld.

Vanaf de jaren ’70 steeg niet zozeer het aantal landbouwmachines, maar ging men ze ‘verfijnen’ met hogere vermogen en een grote werkbreedte. Zo evolueerde het rooien van bieten in tien jaar tijd van één naar zes rijen. Steeds grotere en meer geavanceerde machines werden stilaan gemeengoed op landbouw- maar vooral op loonbedrijven. “Dat liet toe het werk sneller en comfortabeler uit te voeren. Het compenseerde de arbeidsuitstoot uit de landbouw en beperkte de sterk gestegen kosten voor arbeid”, aldus Woestenborghs. Keerzijde van de medaille was dat de Belgische landbouw halverwege de jaren ’70 zo sterk gemechaniseerd was, dat er in feite al te veel machines waren in verhouding tot de beschikbare grond. Dat woog op de rendabiliteit van het landbouw- en het loonbedrijf.

maïs.hakselen.machines_CAG.2.pngTussen 1980 en 2010 verminderde het landbouwareaal met vijf procent. De gemiddelde oppervlakte per landbouwbedrijf in België verdubbelde bijna tussen 1980 en 2000 (van 12,5 naar 22,5 hectare), om dan in het daaropvolgende decennium nog eens met 40 procent te stijgen tot bijna 32 hectare. Voor het bewerken van dit dalende areaal, met steeds grotere percelen, werd beroep gedaan op minder maar grotere machines: maaidorsers met een werkbreedte van 12 meter, vierrijige aardappelrooiers, maïshakselaars die acht tot een maximum van zelfs 12 rijen oogsten, spuittoestellen met spuitbomen van meer dan 50 meter breed, enz.

Sinds het midden van de jaren ’90 hebben loonwerkers hun werkterrein uitgebreid naar andere, niet-agrarische sectoren zoals groendiensten en bouw- en wegenwerken. Dat liet toe om vast personeel ook tijdens de kalmere wintermaanden aan het werk te houden. Grondwerken werden voor een aantal bedrijven meer dan een logisch verlengstuk van de agrarische activiteiten. Loonwerkers die trouw bleven aan hun corebusiness putten hun meerwaarde voor de landbouw uit hun technologische voorsprong op landbouwers. Dat vergt voortdurende investeringen, zoals ook blijkt uit de kredietverstrekkingen door Landbouwkrediet.

'Loonwerkers schuwen de investeringen niet'

“2012 was een topjaar voor kredieten aan loonwerk. In Vlaanderen noteerden we een stijging met 98 procent. In Wallonië gaat het om 30 procent meer kredieten aan loonwerkers”, vertelt Luc Versele, de CEO van groep Landbouwkrediet dat op 1 april samensmelt met Centea en vanaf dan ‘Crelan’ heet. Met een enquête ging de bank na wat er leeft bij loonwerkers in beide landsdelen. De respondenten aan Vlaamse zijde zijn duidelijk grotere bedrijven dan hun Waalse collega’s. Zij stellen vaker meer dan vijf, tot zelfs meer dan tien, vaste arbeidskrachten tewerk. Tegelijk doen ze frequenter een beroep op seizoensarbeid.

drijfmest1.jpgVan de 125 Vlaamse loonbedrijven die deelnamen aan de enquête doet 13 procent ook grondverzet. Negen procent is zowel loonwerker als landbouwer. Vincent Van Zande, marketing manager Landbouw bij de groep Landbouwkrediet, verbaast zich erover dat 18,6 procent van alle 177 loonwerkers-respondenten niet weet wat de meest rendabele activiteit op het bedrijf is. Wie het wel weet, geeft het vaakst mest uitrijden, alle loonwerken en grondverzet als antwoord. Wat de minst rendabele activiteit is, moeten de meeste loonwerkers (27,7%) eveneens in het midden laten. 16,9 procent antwoordt ietwat cynisch ‘alle loonwerken’, terwijl 11,3 procent geen goed oog heeft in de rendabiliteit van de grasoogst.

Loonwerk is maar rendabel in de mate dat er voldoende voor betaald wordt, en dan liefst tijdig. Ook op dat vlak knelt het schoentje. In Vlaanderen kijkt driekwart van de loonwerkers aan tegen een betalingsachterstand bij de klanten. Slechte betalers zijn vaak dezelfde personen, maar toch denkt 35 procent van de loonwerkers dat dit eigen is aan agrarisch loonwerk. Een kwart van de loonwerkers constateert dat zij vooral op hun centen moeten wachten in crisistijden. Wanneer het over hun inkomen gaat, maken loonwerkers zich vooral zorgen over de energiekosten (72%). Loonkosten (40%) en concurrentie door andere loonwerkers (37%) en door landbouwers (21%) volgen op een afstand. De impact van onbetaalde facturen op het inkomen maakt bijna een kwart van de loonwerkers ongerust, onvoorziene pannes van machines een vijfde onder hen.

'29 procent van de loonwerkers ervaart financiële moeilijkheden'

Twee derde van de Vlaamse loonwerkers kende geen financiële moeilijkheden in de 12 maanden die voorafgingen aan de enquête. Maar 29 procent van de respondenten was zo eerlijk om toe te geven dat de financiën van hun bedrijf er allesbehalve rooskleurig uitzien. Een loonwerker weet van aanpakken, ook wanneer het moeilijk gaat: 22 procent zocht een uitweg door investeringen uit te stellen, 21 procent sprak de eigen reserves aan en 18 procent bespaarde op uitgaven. Soms volstond dat niet en moest men bij de bank aankloppen voor krediet (9%) of uitstel van aflossing vragen (6%), bijkomende klanten of activiteiten zoeken (6%) of economische werkloosheid inroepen (5%).

graanoogst_NTV.2.bmpIn de enquête sommen de loonwerkers de voornaamste problemen van het beroep op: dure machines, prijzen die onder druk staan, steeds duurdere diesel, minder klanten aangezien het aantal landbouwers vermindert, hoge loonlasten, enz. “Ondanks de moeilijkheden die ervaren worden, blijven loonwerkers investeren. De sector gaat daarbij op zoek naar een hoger rendement door de kosten te verlagen”, vat Vincent Van Zande het overzicht van de resultaten samen.

Vorig jaar hebben Belgische loonwerkers naar schatting 230 miljoen euro geïnvesteerd in nieuw materiaal. Eén nieuwe tractor op twee wordt ingezet op een loonbedrijf. Bij de oogstmachines is dat zelfs drie op de vier nieuwe machines. Toch duurt het in ons land, in vergelijking met Nederland en Duitsland, langer eer nieuwe technieken op het terrein doorbreken. “De grotere rendabiliteit van de machine en de besparing op kosten lonen nochtans de investering”, benadrukt Fedagrim, de sectorfederatie die onder andere de machineconstructeurs vertegenwoordigt.

Gelet op het kostenplaatje dat aan modern landbouwmateriaal hangt, de grote financiële noden van een aantal loonbedrijven en de onzekerheid over de rendabiliteit van de verschillende activiteiten hamert Landbouwkrediet op het basisprincipe ‘meten is weten’ en op de opportuniteiten die ‘verbreding van de activiteiten’ biedt.

Meer weten over loonwerk? Bestel het boek ‘Mensen en machines’.

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek