duiding

Land- en tuinbouw herovert plaats in samenleving

duiding
31 december 2008  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:52
Negen op de tien Vlamingen bewonderen landbouwers en beseffen dat alleen goede managers een landbouwbedrijf kunnen runnen. Dat blijkt uit een nieuwe imagostudie van de Universiteit Gent in opdracht van VILT. In vergelijking met eerdere studies uit 1997 en 2002 zet het imago van de Vlaamse land- en tuinbouw een stap vooruit. Vooral inzake milieuthema's scoren de landbouwers opmerkelijk beter dan in het verleden.

Vijftien jaar geleden verzamelde de landbouwsector genoeg geld en vooral moed om een eerste kwalitatieve imagostudie te laten uitvoeren door Censydiam. Tot dan had de machtige boerenstand nauwelijks wakker gelegen van het feit dat de ‘wereldvreemde’ stedeling steeds nadrukkelijker zijn neus ophaalde voor zijn boerende medeburger. In die periode hadden criticasters de mond vol van boterbergen, hormonenzwendel en massale varkensruimingen. De onderzoeksresultaten deden het platteland op zijn grondvesten daveren: de helft van de Vlamingen verklaarde negatief te staan tegenover de agrarische sector. En dan moesten de mestactieplannen, dolle koeien en dito vleesschandalen nog volgen, met als orgelpunt de moeder van alle crisissen nadat een lading frituurvet met transformatorolie in de veevoederketen was gesukkeld. Deze cocktail werd volgens betogende boeren zo ongenuanceerd uitgesmeerd in de media dat ze een reportageteam van de VRT bijna molesteerden. De relatie tussen boer en burger leek voor lange tijd aan diggelen geslagen. Maar schijn bedriegt.

Onder het motto ‘wees goed en zeg het’ en met kijkboerderijen als uithangbord stimuleerde Boerenbond lang vóór de dioxinecrisis de imago-inspanningen van een groeiende groep landbouwers die de boerenstiel weer in een positief daglicht wilde stellen. Een onderzoek van de Universiteit Gent in 2002 wees uit dat de talrijke opendeurdagen, plattelandsexcursies en andere evenementen vruchten afwierpen: 80 procent van de ondervraagden beweerde bewondering te hebben voor mensen die aan landbouw doen. Vijf jaar later ligt dat percentage dus nog zes procent hoger, zo blijkt uit een nieuwe bevraging waaraan 646 Vlamingen deelnamen. Die stijging is illustratief voor de verdere verbetering van het imago. Zo vindt 69 procent dat de landbouwers ondergewaardeerd worden, in 2002 ging het om 62 procent. Vijf jaar geleden meende 28 procent dat boeren zich weinig aantrekken van wetten en regels. Dat percentage is anno 2007 gedaald naar 16 procent. En het cliché dat boeren laaggeschoold zijn, is rijp voor de prullenmand: 74 procent van de Vlamingen ontkracht deze stelling, terwijl bij de vorige studie slechts 2 procent volledig akkoord ging met de bewering dat landbouwers hooggeschoold zijn.

Sky is the limit. Milieu en dierenwelzijn waren – in die volgorde – veruit de belangrijkste drijfveren voor een negatieve attitude tegenover landbouw in 2002. 35 procent van de Vlamingen verklaarde zich vijf jaar geleden akkoord met de stelling dat de landbouw milieuvervuilend is. Vandaag is nog een kwart van de burgers die mening toegedaan. Twee derde van de respondenten meent dat de agrarische sector de jongste jaren met steeds meer respect voor het milieu produceert, een stijging van elf procent. Slechts twee Vlamingen op tien zijn van oordeel dat de landbouw meer en meer een vijand is van de natuur. Dat percentage bedroeg in 2002 nog 29 procent. De ontwerpers van het mestdecreet zullen zich geruggensteund voelen door de vaststelling dat 53 procent meent dat land- en tuinbouwbedrijven binnen de wettelijke grenzen onbeperkt moeten kunnen groeien. Meer dan zeven Vlamingen op tien vindt mestverwerking overigens een goede methode om de mestoverschotten aan te pakken. Daartegenover staat dat amper een kwart geen bezwaren heeft tegen een installatie in zijn eigen omgeving.

Op het vlak van dierenwelzijn is de perceptie van de Vlamingen de voorbije jaren nagenoeg ongewijzigd gebleven: 11 procent ontkracht de stelling dat veehouders hun dieren met respect behandelen, terwijl volgens ruim zes op de tien de boer dag en nacht in de weer is voor zijn dieren. Een kwart gaat akkoord met de bewering dat het vetmesten voor landbouwers belangrijker is dan de liefde voor zijn dieren. Hoe zwaar de voedselveiligheid acht jaar na de dioxinecrisis nog weegt op het imago? 42 procent vindt de kwaliteit van de Vlaamse land- en tuinbouwproducten beter dan die van ingevoerde producten, terwijl evenveel consumenten hierover geen uitgesproken mening heeft. De hormonenaffaires die met de regelmaat van een klok blijven opspelen, moeten de rundveehouderij verontrusten: slechts vier op de tien onderschrijft de stelling dat Vlaams vlees veilig is. 19 procent denkt overigens niet dat producten van eigen bodem veiliger zijn dan ingevoerde producten en ruim een kwart is er niet van overtuigd dat landbouwers zorgvuldig omspringen met pesticiden. Opmerkelijk is dat zes Vlamingen op tien weinig of geen notie hebben van geïntegreerde teelttechnieken, ook al zijn die intussen twintig jaar oud. De voorbije jaren waren nogal wat voedselcrisissen het gevolg van mankementen in de lange en complexe diervoederketen. Toch schaart slechts één op de tien zich niet achter de bewering dat de kwaliteit van het diervoeder zeer streng gecontroleerd wordt.

Gezocht: nieuwe technieken. De overblijvende landbouwbedrijven in Vlaanderen worden steeds groter. Nog 14 procent denkt dat deze trend zich in de toekomst niet zal doorzetten, dat is zes procent minder dan in 2002. Maar zou de land- en tuinbouw eigenlijk niet kleinschalig moeten blijven? Over die kwestie zijn de meningen netjes verdeeld. Wel is 65 procent van oordeel dat landbouwers zich verder moeten specialiseren en 43 procent vindt dat de landbouw dringend moet gemoderniseerd worden. Maar liefst 87 procent oordeelt dat de landbouwers gebruik moeten kunnen maken van de modernste technologieën, een stijging van vijftien procent in vergelijking met vijf jaar geleden. Acht op de tien ziet de teelt van energiegewassen voor de productie van biobrandstoffen best zitten. Slechts een kwart vreest dat hierdoor de voedselprijzen zullen stijgen, al dient gezegd dat de enquêteformulieren een half jaar geleden werden ingevuld. En voor de duidelijkheid: consumenten vereenzelvigen moderne technieken niet met gemodificeerde organismen. Nauwelijks drie op de tien gaat akkoord met de stelling dat boeren de door Europa goedgekeurde ggo-gewassen mogen uitzaaien. Eén Vlaming op drie vindt overigens dat de land- en tuinbouw volledig biologisch moet produceren en bijna de helft is ervan overtuigd dat bioproducten gezonder zijn. Daarmee scoort de biologische sector een aantal procenten minder goed dan in 2002, maar die cijfers staan nog steeds in schril contrast met het schamele landbouwareaal dat biologisch bewerkt wordt.

Een kanttekening bij al deze opinies: zeven op de tien geeft toe dat de samenleving niet eens meer beseft dat voedsel afkomstig is van de land- en tuinbouw en slechts een kwart gelooft dat de kloof tussen boer en burger niet nog groter zal worden. Driekwart van de Vlamingen vindt dan ook dat het onderwijs meer aandacht moet besteden aan de agrarische sector. Maar de boeren moeten zelf ook inspanningen leveren: 60 procent stelt dat de landbouw meer in dialoog moet treden met organisaties zoals GAIA en 82 procent wil dat het contact met de consument nauwer aangehaald wordt door middel van boerderijbezoeken, boerenmarkten, enzovoort. Vier op de tien gelooft nog altijd dat de landbouw een gesloten sector is.

Angsthazen vs positivo’s. De respondenten uit de jongste studie kunnen onderverdeeld worden in drie clusters. Een eerste segment is dat van de ‘genuanceerde gedesinteresseerden’ (32 procent): het gaat om mensen die weinig belangstelling voor de agrarische sector aan de dag leggen. Het maakt hen niet uit waar voedingsproducten vandaan komen en ze zijn evenmin voorstander van biologische of fairtradeproducten. Deze groep bestempelt de boer niet als manager, maar vermoedt wel dat hij dag en nacht in de weer is voor zijn dieren. In dit segment duiken nogal wat jonge gezinnen met kinderen op. De ‘duurzame gematigde angsthazen’ (23 procent) kiezen resoluut voor biologische productie, duurzaamheid en dierenwelzijn. Ze vinden landbouw belangrijk, en dus mag de overheid er gerust een pak subsidies tegenaan gooien. De boer doet wel zijn best, maar onder meer het bovenmatig gebruik van pesticiden doet de milieudruk hoog oplopen. Moderniseren mag met mate, zolang de bedrijven maar relatief kleinschalig blijven. Dit segment bevat veel oudere paren waarvan de kinderen nog thuis wonen én mensen die actief deelnemen aan landbouwactiviteiten. De ‘nuchtere toekomstgerichte positivo’s’ (45 procent) denken helemaal anders over de agrarische sector: de boer is hooggeschoold, specialisatie en nieuwe toepassingen zijn aan de orde van de dag en de kwaliteit van de Vlaamse producten is prima. Deze groep bevat meer mannen dan vrouwen, veel Oost-Vlamingen en oudere koppels. Ze kopen hun producten veeleer in de detailhandel om de hoek en malen niet om een meerprijs voor milieu- of diervriendelijke voedingsproducten.
 

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek