ie-net buigt zich over klimaateffect akker- en tuinbouw
nieuwsIngenieursvereniging ie-net verzamelde enkele experts in plantaardige productie om de gevolgen van de klimaatverandering te bespreken. Al te vaak blijven discussie over het klimaat immers beperkt tot de dierlijke productie. Sprekers waren Anne Gobin van VITO, Pieter De Frenne van UGent, James Taylor Alford van Syngenta, Tim Beliën van pcfruit en Greet Ruysschaert van ILVO. Zij zijn het over een aantal zaken opvallend eens. Zo zal de variabiliteit in opbrengsten toenemen en de risicoperceptie bij telers dus stijgen. Maar de sector kan zich aan de meeste gevolgen aanpassen én de klimaatopwarming biedt zelfs enkele opportuniteiten.
Anne Gobin van VITO bijt de spits af met een uiteenzetting over de manier waarop klimaatscenario’s worden gesimuleerd, en wat die scenario’s voor onze regio voorspellen. Zo worden zowel de zomers als de winters warmer, waardoor de waterbehoefte van planten stijgt. Daarenboven worden de winters natter en de zomers droger, met vaker extreme regenbuien. Die laatste vullen de waterbehoefte van planten echter niet aan, omdat ze te plots vallen. De stijgende concentraties CO2 in de lucht hebben bovendien een bemestingseffect, al compenseert dat effect de hogere waterbehoefte niet. Alleen mits irrigatie tijdens de zomer kan de opbrengst stijgen, en wordt de variabiliteit of het oogstrisico opvallend ingeperkt.
Door een toename van het aantal extreme weersomstandigheden tijdens het groeiseizoen, ervaren landbouwers een toenemend risico. De variabiliteit in opbrengst stijgt, terwijl de directe inkomenssteun vanuit Europa daalt. Dit gegeven is volgens Gobin minstens zo belangrijk als de uitkomst van de simulaties. “Want kan dat gepercipieerde risico geen drijfveer voor innovatie zijn?”, vraagt ze zich luidop af. De mogelijkheden voor adaptatie (aanpassen aan het veranderende klimaat) en mitigatie (emissies verlagen) bestaan immers al. Zo kan bij veredeling rekening gehouden worden met de klimaatopwarming, kunnen gewassen tijdens droge perioden beregend worden, kan een landbouwer zich verzekeren tegen bepaalde risico’s en kan de waterbergingscapaciteit van de bodem verbeterd worden. Risicoperceptie kan ervoor zorgen dat deze mogelijkheden effectief benut worden.
Wat betreft de verwachte weersfenomenen, zijn gelijkaardige stellingen te horen bij Pieter De Frenne van de vakgroep Plantaardige Productie van UGent. Hij staat even stil bij de manier waarop de invloed ervan op plantaardige productie bestudeerd kan worden, en haalt vervolgens enkele observaties vanop het veld aan. Zo blijkt de oogst van druiven in Frankrijk de laatste 50 jaar bijna 20 dagen vervroegd te zijn. Per graad temperatuurstijging vervroegd die oogst met 5 à 6 dagen. Ook schuift de verspreiding van planten op. Gemiddeld is het habitat van planten in de bergketens van Frankrijk met 66 meter gestegen in de laatste twee decennia van de vorige eeuw. In Noorwegen, elders in Europa en in Noord-Amerika werden gelijkaardige vaststellingen gedaan. “Klimaatverandering leidt dus tot migratie van planten richting de polen en hoger in de gebergteketens”, besluit De Frenne. Tegelijkertijd veroorzaakt de klimaatopwarming een daling van de biomassa van een aantal planten, zoals van gewone esdoorn en Engels raaigras. Bij jeneverbes werd ook een daling van de zaadkwaliteit vastgesteld, en bij graan in China een minderopbrengst tot 50 procent.
Het werkelijke effect van de klimaatopwarming is echter afhankelijk van de regio en het landschap waarin een gewas groeit. Een vlak landschap is bijvoorbeeld kwetsbaarder dan een berglandschap. En een landschap met veel variatie in vegetatie (bv. veel bomen) is omwille van zijn microklimaat beter bestand tegen schokken van het klimaat (buffering) dan een open landschap met weinig gevarieerde vegetatie. “Agroforestry blijkt omwille van die reden een goede adaptatiemethode. Er ontstaat een microklimaat dat een buffer vormt van 4°C tegen hitte. Daarenboven worden er lagere windsnelheden gemeten, is er minder verdamping en droogtestress bij de gewassen en wordt er extra koolstof opgeslagen”, klinkt het.
Andere adaptatiemogelijkheden die De Frenne aanhaalt zijn irrigatie, aanpassing van oogst- en maaidata en -frequentie, andere soorten- en rassenkeuzes en sterker dunnen tegen droogte. Ook nieuwe technologie zoals sensoren en laserscanners bieden volgens hem mogelijkheden, net als het spreiden van risico’s door meer diversiteit.
James Taylor-Alford van zadenproducent Syngenta pikt in zijn uiteenzetting op dit laatste in. “Vandaag kiezen veredelaars een ras omdat het in één seizoen topresultaten heeft geboekt. Maar gezien de stijgende variabiliteit in seizoenen, die alleen nog zal toenemen, is dat niet de beste manier. Telers verkiezen trouwens stabiliteit boven piekprestaties. Beter is het dus te selecteren op rassen met stabiele opbrengsten in verschillende seizoenen”, zegt hij. In dat opzicht ziet hij potentieel in hybride zaden van granen. Ze hebben grotere wortels en groter loof, waardoor ze beter bestand zijn tegen droge en natte omstandigheden. Ook in de conventionele veredeling concentreert Syngenta zich volgens Taylor-Alford sinds kort op het wortelgestel. “Want de wortels zijn de sleutel in onze zoektocht naar granen met een stabiele opbrengst ondanks droogte- en andere omgevingsstress.”
Vierde spreker is Tim Beliën van het Proefcentrum Fruitteelt (pcfruit), die het heeft over de gevolgen van de klimaatverandering voor de fruitteelt. Door warmere winters bloeien de bomen bijvoorbeeld vroeger, waardoor de oogst vervroegt maar ook het risico op schade door nachtvorst groter wordt. Het langere seizoen maakt het telen van latere rassen zoals Granny Smith mogelijk. Door warmere zomers is er een hoger risico op schade door hagel en meer kans op storm en zonnebrand.
Behalve warmere zomers en winters wordt het neerslagpatroon onregelmatiger. Hierdoor neemt de nood aan irrigatie toe. “Bij peer gebeurt beregening al op meer dan de helft van de percelen, bij appel slechts op 10 procent”, weet hij. Tot slot heeft de klimaatverandering in combinatie met de globalisering nieuwe ziekten en plagen in onze fruitteelt gebracht. Het gaat niet alleen om nieuwe parasieten, insecten of schimmels, maar ook om insecten die zich beter dan vroeger kunnen voortplanten omwille van de zachtere winters, en daardoor een groeiend probleem vormen (bv. fruitmot).
Toch zijn er volgens Beliën ook opportuniteiten. De centrale ligging van Vlaanderen in Europa maakt Vlaams fruit relatief eco-efficiënt. En dat zou kunnen worden ingezet als marktinstrument. Daarenboven wordt ons klimaat interessant voor nieuwe teelten zoals druiven, noten, nectarines en abrikozen.
De laatste spreker, Greet Ruysschaert van ILVO, heeft het ten slotte over iets dat volgens haar nog te weinig aandacht krijgt in het klimaatverhaal: het potentieel van koolstofopslag onder gras en akker. Samen met collega Tommy D’Hose onderzocht zij de literatuur daaromtrent. Enkele opvallende vaststellingen: bij het scheuren van grasland gaat 1 tot 2 ton koolstof per hectare per jaar verloren. Omgekeerd wordt de koolstofvoorraad onder grasland slechts met 0,5 tot 1 ton koolstof per hectare per jaar opgebouwd. “Het verlies bij scheuren van grasland gaat dubbel zo snel als het opbouwen van de voorraad bij het omzetten van akkerland naar grasland. Het is dus beter om in te zetten op het behoud van blijvend grasland”, klinkt het.
Ook is er nog een groot potentieel voor koolstofopslag onder grasland in Vlaanderen. Volgens de Bodemkundige Dienst van België zit 55 procent van de graslandpercelen nog onder het streefdoel. Bij de opslag speelt het beheer van grasland een rol. Zo is grazen beter dan maaien, is een gematigd beheer tussen intensief en extensief optimaal, is het toedienen van dierlijke mest beter dan minerale bemesting en is een lage frequentie van vernieuwing (bv. na 5 jaar) beter dan een hoge (bv. na 2 jaar). Meer over de studie van Ruysschaert en D’Hose lees je in deze geVILT.