Het succes van verduurzamingsinitiatieven ontrafeld
nieuws“Dat je meer leert uit een netwerk als je intrinsiek gemotiveerd bent, dat wisten we al. Nu weten we dat dit ook geldt voor verduurzaming in groep in de landbouw”, zegt Laure Triste (ILVO-UGent) in haar doctoraat. Als je tegelijk autonomie, competentie en echte onderlinge verbondenheid kan bevorderen heb je een grote kans op succes. Verder blijken ook een evenwicht tussen bedrijfsgerichte en groepsactiviteiten van belang, en moet er flexibiliteit en een organische groei voorzien zijn. “De succesfactoren kunnen een leidraad vormen voor het ontwerp van nieuwe initiatieven, zowel publiek als privaat”, klinkt het.
Verduurzamingsinitiatieven zijn gericht op verduurzaming van het landbouwbedrijf en bieden een sociale leeromgeving voor de deelnemers. Ze kunnen opgericht zijn door individuen, overheden, bedrijven of onderzoekers maar essentieel is dat alle deelnemers op vrijwillige basis instappen. “Het doel van dergelijke initiatieven is om gedragsveranderingen teweeg te brengen”, legt onderzoekster Laure Triste uit. “Dat kan uiteraard ook via wettelijke beperkingen of subsidies, maar uit wetenschappelijke literatuur blijkt dat gedragsveranderingen op basis van vrijwillige deelname in groepsprocessen evengoed mogelijk zijn én een langduriger effect kunnen hebben.”
Op basis van interviews en documentenanalyse, en met behulp van vier theoretische perspectieven, ontdekte Laure Triste waarom sommige initiatieven daar wel in slagen en andere niet, en formuleert ze aanbevelingen. Een eerste succesfactor is gebruik maken van externe prikkels om landbouwers aan te trekken die niet van nature uit geïnteresseerd zijn in duurzaamheid of deelname aan het verduurzamingsinitiatief. “Sommigen hebben een duwtje in de rug nodig voor ze deelnemen aan zo’n initiatief”, vertelt Laure Triste. “Dat kan externe druk van buren of collega’s zijn of vooropgestelde beloningen zoals betere productprijzen of een duurzaamheidscertificaat.”
Succesfactor twee: voed autonomie, competentie en verbondenheid, dan stijgt het engagement. “Een landbouwer moet zijn gevoel van controle over beslissingen kunnen behouden. Zo voelt hij zich tegelijkertijd ook competent om zijn stielkennis aan te bieden én om nieuwe kennis op te doen”, aldus onderzoekster Laure Triste. “Bovendien wil een landbouwer zich gewaardeerd voelen door boeren vanuit dezelfde of gelijkaardige sector, maar ook door andere interessante deelnemers aan het initiatief, zoals onderzoekers, toeleveranciers, afnemers, of bedrijfsadviseurs.”
Ook de balans tussen individuele en groepsactiviteiten is belangrijk om een langdurig duurzaamheidsinitiatief op te kunnen bouwen. “Kennisuitwisseling met collega’s over duurzaamheid en wat het kan betekenen op een landbouwbedrijf is belangrijk, maar ook individuele verbetertrajecten zijn essentieel”, verklaart Laure Triste. “Elke landbouwer is namelijk op zoek naar een actieplan op maat van zijn bedrijf.” Zo’n individuele activiteit kan bijvoorbeeld bestaan uit een nauwe samenwerking tussen de landbouwer, onderzoekers, en een bedrijfsadviseur, waarbij onderzoek op het bedrijf leidt tot bedrijfsspecifiek advies.
Als laatste is het essentieel om rekening te houden met de standpunten, praktijken en verwachtingen van belanghebbenden zowel binnen als buiten het verduurzamingsinitiatief, stelt Laure Triste in haar onderzoek. “Ik raad aan om een brede waaier aan stakeholders te betrekken vanaf de start van het initiatief én om ze te laten vertegenwoordigen in de bestuursorganen van het initiatief”, legt de onderzoekster uit. “Ook een ketenvisie is een sleutel tot succes. Door verschillende ketenactoren, zoals landbouwers, afnemers en retail te betrekken in het initiatief wordt draagvlak gecreëerd. De activiteiten in een initiatief kunnen zo afgestemd worden op de praktijken binnen het agrovoedingssysteem. De erkenning door afnemers en retail van een initiatief stimuleert landbouwers ook om deel te nemen aan een initiatief.”
“Via dit onderzoek bieden we wetenschappelijk gefundeerde adviezen voor het ontwerp van verduurzamingsinitiatieven in de landbouw”, zegt onderzoekster Laure Triste. “Dat kan gaan van nieuwe privé-initiatieven door een groep landbouwers en bedrijven, tot publieke initiatieven die in het leven worden geroepen door bijvoorbeeld lokale overheden. Bij nieuwe initiatieven wordt sterk gesteund op ervaring van andere organisaties, maar als we één ding geleerd hebben uit dit onderzoek is dat verduurzamingsinitiatieven niet gekopieerd en geplakt kunnen worden: de setting is steeds anders, de landbouwers zijn anders, de keten is anders”, besluit Laure Triste.
Beeld: ILVO