GAIA wil verbod op paardenvlees en viseert frituursnacks: “Consument eet paard zonder het te weten”
nieuwsGAIA vraagt dat paardachtigen worden erkend als gezelschapsdieren en uitgesloten van de voedselketen. Om die boodschap kracht bij te zetten, publiceert de organisatie een studie die aantoont dat paardenvlees aanwezig is in bepaalde frituursnacks. Navefri, het Nationaal Verbond van Frituristen, stoort zich aan de boodschap van GAIA en stelt dat paardenvlees zowel legaal als gezond is. Bovendien wordt de aanwezigheid van paardenvlees aangegeven op de verpakking van deze producten. GAIA wijst erop dat je deze verpakking bij een frituurbestelling niet kan lezen en vraagt meer transparantie voor de consument.
In augustus heeft GAIA 123 snacks gekocht in 25 frituren, verspreid over Vlaanderen, Brussel en Wallonië. De organisatie liet DNA-tests uitvoeren en vond zo paardenvlees in 27 procent van de onderzochte snacks.
Navefri stoort zich aan de framing van het onderzoek. In Het Nieuwsblad reageert voorzitter Bernard Lefèvre: “Alsof je een DNA-test nodig hebt om paardenvlees op te sporen. Zo wek je toch een beetje de indruk dat paardenvlees een verboden product is dat ergens in verstopt zit en wij de grote boosdoeners zijn. Paardenvlees is perfect oké, het staat gewoon op de ingrediëntenlijst. En het is objectief goed vlees.”
Transparantie
GAIA erkent dat de aanwezigheid van paardenvlees wel degelijk staat aangegeven op de informatie- en ingrediëntenlijsten op de websites en verpakkingen van de producenten. Paardenvlees wordt dus niet onder het mom van bijvoorbeeld kip of rund toegevoegd aan frituursnacks. Maar de organisatie merkt op dat consumenten de ingrediëntenlijst enkel te zien krijgen bij voorverpakte voedingsmiddelen. Wie eten bestelt in een horecazaak, in dit geval een frituursnack, krijgt de ingrediëntenlijst niet te lezen. Net zoals men dat niet krijgt wanneer men bijvoorbeeld vol-au-vent of soep bestelt in een brasserie.
"Voor levensmiddelen die niet voorverpakt aan de eindverbruiker of aan grote cateraars te koop worden aangeboden, of voor levensmiddelen die op de plaats van verkoop op verzoek van de consument worden verpakt of met het oog op de onmiddellijke verkoop worden voorverpakt, zijn enkel de allergenen een verplichte vermelding", meldt Etienne Mignolet van de FOD Economie aan VILT.
GAIA vindt het niet kunnen dat men uit de benaming van frituursnacks niet kan afleiden of het gaat om een product op basis van paardenvlees. De organisatie vindt het problematisch dat consumenten dus paardenvlees kunnen eten zonder het te weten.
“Als klant krijg je niet te zien wat de ingrediënten zijn van je frituursnack. In tegenstelling tot de supermarkt, waar je de ingrediëntenlijst kan lezen”, vertelt directeur Ann De Greef van GAIA aan VILT. De Greef vermeldt dat GAIA de onderzochte frituursnacks niet heeft kunnen koppelen aan bepaalde merken of leveranciers, aangezien deze producten zonder verpakking in de toonbank lagen.
Als klant krijg je niet te zien wat de ingrediënten zijn van je frituursnack. In tegenstelling tot de supermarkt, waar je de ingrediëntenlijst kan lezen
Zolang paardenvlees correct staat aangegeven op de ingrediëntenlijst – wat wel degelijk het geval is bij diverse populaire frituursnacks - is hier geen sprake van een voedselmisdrijf.
Bij de snacks met een positieve DNA-test ging het volgens De Greef telkens om een duidelijke aanwezigheid en dus niet om eventuele kruiscontaminatie.
Slachtpaarden
In september dook VILT dieper in de consumptie van paardenvlees. Daar stelden we vast dat de fokkerij van slachtpaarden niet bestaat in ons land. “De paardenvleesproductie is het circulaire sluitstuk uit de sport- en hobbypaardenhouderij”, tekende Michael Gore van vleesfederatie Febev op. “Bij de slacht van het paard na een duurzaam leven kan het vlees nog gebruikt worden. In het andere geval wordt het karkas geëuthanaseerd en verbrand. Dat kun je niet duurzaam en circulair noemen. Op deze manier gaan nuttige eiwitten verloren voor de mens.”
Bij het persbericht deelt GAIA diverse beelden van paarden met kwetsuren, of dieren die overleden in hun weide liggen. Dit zijn dus geen dieren die naar het slachthuis zijn vervoerd, laat staan dat ze verwerkt zijn voor humane consumptie.
Paardenpaspoorten
Een ander element dat GAIA aanhaalt, zijn eerdere problemen met de traceerbaarheid van paardenvlees. Hiervoor verwijst het naar een rapport van voedselagentschap FAVV waarbij het tussen december 2020 en juni 2021 vaststelde dat 35 van de 230 onderzochte paardenpaspoorten vervalst waren. Deze paspoorten tonen onder meer aan of een paard al dan niet geschikt is voor consumptie.
Hélène Bonte van FAVV verduidelijkt dat het hier niet noodzakelijk ging om paardenvlees dat nadien in frituursnacks is verwerkt. “Het is zeker niet verboden om paardenvlees te gebruiken in frituursnacks, zolang het vlees veilig en traceerbaar is”, verduidelijkt Bonte.
Het is zeker niet verboden om paardenvlees te gebruiken in frituursnacks, zolang het vlees veilig en traceerbaar is
Een paard kan wel worden uitgesloten van de voedselketen indien het bepaalde medicatie kreeg toegediend, zoals vaak het geval is bij rijpaarden. “Dat betekent niet noodzakelijk dat er onmiddellijk een gevaar is voor de veiligheid van het vlees. Geneesmiddelen worden na verloop van tijd afgebroken in het lichaam, waardoor er in het uiteindelijke vlees geen residuen meer achterblijven”, zegt Bonte. “Sommige geneesmiddelen mogen daarom ook aan slachtpaarden worden toegediend, op voorwaarde dat de gepaste wachttijd wordt gerespecteerd en dat eventuele residuen de wettelijk vastgelegde maximumlimiet niet overschrijden.”
Andere geneesmiddelen, bijvoorbeeld de ontstekingsremmer fenylbutazon, zijn verboden voor paarden die bestemd zijn voor menselijke consumptie. “De toediening ervan leidt automatisch tot de uitsluiting van het paard uit de voedselketen”, zegt Bonte.
"Als het paspoort, waarin de historiek en de traceerbaarheid van het dier worden beschreven, is gemanipuleerd, hebben we uiteraard geen garanties meer over welke geneesmiddelen werden toegediend en wanneer dat gebeurde", zegt Bonte. Maar de FAVV-woordvoerster verduidelijkt wel dat er ook in deze gevallen niet noodzakelijk sprake is van een gevaar voor voedselveiligheid. Zo gebeuren er stelselmatig controles op residu van geneesmiddelen. “De resultaten zijn geruststellend: van de meer dan 15.800 stalen die in 2025 werden geanalyseerd, was 99,6% conform voor geneesmiddelen”, klinkt het.
GAIA wil totaalverbod op paardenvlees
Hoe dan ook wil GAIA meer transparantie over het aanwezige vlees bij de verkoop van niet-voorverpakte levensmiddelen, en bij voorkeur een totaalverbod op de consumptie van paardenvlees. “We hebben van het paard allang een gezelschapsdier gemaakt”, zegt GAIA-voorzitter Michel Vandenbosch. “Het wordt tijd dat ook onze wetgeving die realiteit volgt. Geen paarden meer naar het slachthuis. Geen paardenvlees meer in onze winkels of op ons bord.”
GAIA wijst erop dat dit in Griekenland al sinds 2021 het geval is. Lees het volledige rapport van GAIA hier.
Mogen voedselbenamingen misleiden?
GAIA vindt de namen van sommige frituursnacks misleidend voor de consument, wanneer deze bijvoorbeeld paardenvlees bevatten en dat niet in de benaming duidelijk is. Maar wat kan en wat kan niet bij de naamgeving van voedselproducten?
Een eerste principe is dat voedselnamen niet misleidend mogen zijn. "Met name niet ten aanzien van de kenmerken van het levensmiddel, en vooral niet ten aanzien van de aard, samenstelling identiteit of, eigenschappen", zegt Etienne Mignolet van de FOD Economie aan VILT.
Wat doorgaat voor 'misleidend', ligt bij elk voedingsproduct anders,. Flagrante misleiding mag uiteraard niet. Zo mag je bijvoorbeeld geen 'kipvingers' op de markt brengen als die voor 100% uit vis bestaan. Bij andere voedingsbenamingen is er ruimte voor discussie. "Hoeveel salami moet er in een 'Pizza Salami'? Dat zal ook maar een klein percentage zijn tegenover het geheel. Het is een feitenkwestie: een pizza met vier plakjes salami , maar met ruime hoeveelheid salami op de afbeelding, met de vermelding 'nu met extra salami' zal al snel als 'misleidend' worden beschouwd", illustreert Mignolet.
Voor burgers bestaat er sinds 1985 een specifieke wetgeving. "Het Koninklijk Besluit van 8 maart 1985 betreffende de fabricage van en de handel in gehakt of gemalen vers vlees. Daarin wordt vastgelegd dat een "hamburger" of iedere andere benaming eindigend op "...burger", vergezeld wordt van de aanduiding van de diersoort, of van de aanduiding in dalende volgorde van gewicht aan vlees van de diersoorten waarvan het spiervlees en het vetweefsel afkomstig zijn", zegt Mignolet.
Moest een fabrikant dus een burger op de markt brengen die voor 60 procent bestaat uit rundsvlees en voor 40 procent uit paard, dan moet dit in de markt worden gezet als een 'rundspaardenburger' of een 'hamburger rund/paard'.
Toch kunnen sommige benamingen als misleidend worden ervaren. Het klassieke voorbeeld is krabsalade die in feite vooral surimi bevat. "Een benaming mag niet misleiden omtrent de inhoud. Een krabsla waar enkele surimi inzit mag geen “krabsla” heten, er moet krab in zitten", zegt Mignolet.
Opvallend: er geldt geen verplichting om alle ingrediënten in de benaming te vermelden. "Dus “surimi” hoeft niet in de naam te staan, zelfs als dat het hoofdbestanddeel is", zegt Mignolet. "Wat wel verplicht is, is de kwantitatieve opgave (KWID) van ingrediënten die in de benaming voorkomen, zoals “krab”, of door de consument met die benaming geassocieerd worden. Dus: als je “krabsalade” op het etiket zet, moet je het percentage krab vermelden in de ingrediëntenlijst. Surimi hoeft niet in de naam, maar moet uiteraard wel als ingrediënt vermeld worden", legt Mignolet uit.
Maar ook hier geldt het basisprincipe dat de benaming niet misleidend mag zijn. "Een 'krabsalade' die in realiteit voor het overgrote deel uit surimi bestaat, en slechts een spoortje krab bevat, kan juridisch toelaatbaar zijn, maar moet wel duidelijk en correct 'geKWID' worden én mag de consument niet op het verkeerde been zetten via verpakking, afbeeldingen of marketingclaims, enzovoort. Een pakje met een grote afbeelding van een krab zal sneller misleidend zijn dan een pakje van een low-cost wit product. Er bestaat geen vastgelegd minimumpercentage krab in Europese regelgeving om de benaming “krabsalade” te mogen gebruiken."
Op de stelling van GAIA dat frituursnack-benamingen consumenten misleiden, geeft de FOD Economie geen commentaar. "Daarvoor zouden we zelf een onderzoek moeten opstarten", klinkt het. "Als consumenten denken dat ze misleid worden, dan kunnen ze dit altijd melden bij de Economische Inspectie via ConsumerConnect."
Bron: Eigen berichtgeving, Het Nieuwsblad