Vlaams Parlement bevraagt Brouns over verdubbeling geurnorm bestaande boerderijen
nieuwsHet Departement Omgeving heeft op 20 april het vernieuwde geurkader gepresenteerd op haar website. Eén van de hoofddoelen is om te vermijden dat zonevreemde woningen landbouwbedrijven kunnen dagvaarden voor geurhinder die eigen is aan landbouwgebied. Vlaams parlementslid Arnout Coel (N-VA) juicht toe dat landbouwbedrijven beter beschermd worden in eigen gebied, maar vraagt zich af of de normen voor geurhinder niet té hard versoepeld zijn. Waar de geurhinderlat bij bestaande bedrijven vroeger lag bij tien ‘odour units’ per kubieke meter, zijn dat er nu 20.
Met een gegeven zo subjectief als geur, is het niet eenvoudig een sluitend wettelijk kader te ontwikkelen. “De beleving van geur hangt sterk af van de persoonlijke gevoeligheid of de gewenning en zeker ook van de context”, zegt Vlaams minister van Landbouw en Omgeving Jo Brouns (cd&v). “Vanwege die subjectiviteit zijn er in de Vlaamse milieuregelgeving geen harde juridische geurnormen opgenomen en wordt er al lang gewerkt met beoordelingskaders.”
Net als de vorige versie van het geurkader gaat het niet om harde wetgeving, wel om een leidraad voor de bevoegde overheid om te beslissen over geurzaken. Het oude geurkader leidde volgens Brouns tot ongewenste situaties, zoals eigenaars van zonevreemde woningen die procederen tegen omliggende landbouwbedrijven vanwege geurhinder die eigen is aan het gebied.
Het nieuwe geurkader moet dus de bescherming van zone-eigen landbouwactiviteiten verankeren. Bovendien worden functiewijzigingen naar zonevreemd gebruik enkel nog aanvaard op voorwaarde dat de woning buiten de toekomstige geurbeoordeling valt. Kortweg: een voormalige bedrijfswoning die omgevormd wordt tot residentiële woning, blijft beoordeeld als bedrijfswoning bij geurdiscussies.
Verdubbeling van toegestane geur
Coel verwelkomt het initiatief, maar heef toch enkele bedenkingen. Ten eerste merkt hij op dat deze leidraad niet gelijkstaat aan het verankeren van het kader in de regelgeving, zoals aangekondigd in het regeerakkoord. Ten tweede vraagt hij zich af of de versoepeling van de geurnorm in agrarisch gebied niet té gul is. Bestaande veeteeltbedrijven mogen 98 procent van de tijd niet meer geur uitstoten dan 20 ‘odour units’ per kubieke meter ten aanzien van woningen in agrarisch gebied. Vroeger was dit nog maar de helft. Voor nieuwe veeteeltbedrijven geldt wel een grenswaarde van 10 ouE/m³.
Coel vraagt zich af of deze versoepeling wetenschappelijk onderbouwd is. Als dit niet het geval is, vreest hij dat het kader kan worden aangevochten.
Brouns antwoordt dat het nieuwe kader hoe dan ook een evaluatie nodig heeft. De nieuwe normen zijn volgens hem geënt op andere kaders, zoals bijvoorbeeld in Nederland. “Dit is dus wel onderbouwd, op basis van bewezen praktijken die in Nederland ook al geldig zijn”, zegt de minister.
Bovendien is er een verslechteringsverbod bij alle bestaande bedrijven waar de impact zweeft tussen 10 en 20 ouE/m³: geurhinder voor omwonenden mag er niet erger worden dan de huidige situatie.
Economische haalbaarheid
Coel merkte ook op dat alle geurreducerende maatregelen volgens het kader ‘economisch haalbaar’ dienen te zijn. Hij vraagt zich af hoe dit wordt afgetoetst.
Volgens Brouns is dit principe geënt op de BBT-logica (beste beschikbare techniek) die ook geldt voor de ruimere industrie. “Je moet de beste beschikbare techniek kunnen aantonen in je vergunningsaanvraag”, zegt hij. “Dat is, denk ik, de toets van de economische haalbaarheid. Dat mag verwacht worden van elk modern bedrijf, dus ook van de landbouwer.”
Evaluatie
Coel volgt de minister hierin: dat het geurkader doordacht is uitgewerkt. “Het moet inderdaad voor wat stabiliteit zorgen in het agrarische gebied. En het moet de ontwikkelingskansen voor onze landbouwers daar veiligstellen, natuurlijk ook wel met de nodige rechtszekerheid voor alle andere betrokkenen. Het kan niet de bedoeling zijn dat een niet-landbouwer die rechtmatig op het platteland woont, rechteloos wordt. Maar dat leid ik ook niet af uit deze hervorming. We kijken dan uit naar de evaluatie om te zien of het effectief voor de nodige stabiliteit zal zorgen op het terrein.”
Bron: Eigen berichtgeving